Minister Andrew Baasaron beantwoordt vragen.
Minister Andrew Baasaron van Economische Zaken, Ondernemerschap en Technologische Innovatie (EZOTI) heeft tijdens de begrotingsbehandeling zijn bezorgdheid uitgesproken over de beperkte middelen die beschikbaar zijn voor het ministerie dat verantwoordelijk is voor economische groei, ondernemerschap en diversificatie van de economie. De minister merkte op dat de begroting van EZOTI voor 2026 na de nota van wijziging SRD 306,6 miljoen is, wat neerkomt op slechts 0,4 procent van de totale staatsbegroting. Volgens hem staat dat niet in verhouding tot de opdracht van het ministerie om het investeringsklimaat te verbeteren, de economie te diversifiëren en de verdiencapaciteit van het land te vergroten.

Baasaron wees erop dat bovendien een groot deel van de beschikbare middelen niet naar beleidsprogramma's gaat. Van de totale begroting wordt ongeveer 64 procent besteed aan operationele kosten, terwijl slechts 36 procent beschikbaar is voor programma's die economische ontwikkeling moeten stimuleren. Volgens de minister wordt de begroting daarnaast belast met oude verplichtingen, waaronder huurachterstanden, openstaande rekeningen voor nutsvoorzieningen en gerechtelijke vonnissen die in sommige gevallen teruggaan tot de jaren negentig.

De bewindsman stelde dat Suriname voor een belangrijke keuze staat. Volgens hem kan het land niet blijven vertrouwen op sociale uitgaven alleen, maar moet er tegelijkertijd worden geïnvesteerd in sectoren die nieuwe inkomsten genereren en duurzame economische groei mogelijk maken. Hij pleitte voor meer investeringen in ondernemerschap, productie, innovatie en exportontwikkeling.

Zijn oproep vond tijdens de behandeling weerklank bij verschillende Assembleeleden. Fractieleider Jerrel Pawiroredjo (NPS) sprak van een "schrijnende disbalans" tussen de begroting van EZOTI en die van andere ministeries. Volgens hem wordt van het ministerie verwacht dat het economische bedrijvigheid aanjaagt, terwijl het over een van de kleinste begrotingen beschikt. Hij benadrukte dat sociale programma's belangrijk zijn, maar dat het geld daarvoor uiteindelijk eerst moet worden verdiend.

Ook Assembleelid Steven Reyme (A20) stelde dat het ministerie een sleutelrol vervult in de voorbereiding van Suriname op de olie- en gasontwikkelingen, maar dat de beschikbare middelen daar niet mee in verhouding staan. Volgens hem vraagt de toekomstige economische transformatie juist om versterking van ondernemerschap, innovatie en productieverhoging.

Meerdere leden wezen erop dat juist het ministerie dat voorwaarden moet scheppen voor economische groei, lokale productie en werkgelegenheid tot de kleinste begrotingen van de overheid behoort.

Tijdens de behandeling kwam ook het KMO-fonds ter sprake. Baasaron gaf aan dat eerder SRD 25 miljoen voor het fonds was goedgekeurd, maar dat de toegezegde middelen nog niet zijn overgemaakt. Volgens de minister staat de rekening van het fonds momenteel op nul, terwijl het fonds juist bedoeld is om kleine en middelgrote ondernemingen te ondersteunen.

Ondanks de beperkte middelen zei de minister vast te houden aan zijn beleidsdoelen. Die richten zich onder meer op economische diversificatie, stimulering van ondernemerschap, digitalisering, innovatie, versterking van de exportsector en voorbereiding van de economie op de verwachte olie- en gasinkomsten.