De Staat Suriname heeft een belangrijke juridische overwinning geboekt in het slepende geschil met aannemingsbedrijf Baitali N.V. De kantonrechter heeft vanmiddag alle vorderingen van Baitali afgewezen, de verdere executie van een eerder vonnis geschorst en geoordeeld dat Baitali misbruik maakt van haar executierecht.

Baitali had de Staat, in het bijzonder het ministerie van Openbare Werken, opnieuw voor de rechter gedaagd omdat volgens het bedrijf geen volledige uitvoering was gegeven aan een vonnis van 10 juli 2025. Het bedrijf eiste onder meer inzage in documenten die aan de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB) waren verstrekt in het kader van een aanbestedingsprocedure. Daarnaast vroeg Baitali om hogere dwangsommen omdat de eerder opgelegde sancties volgens haar onvoldoende effect zouden hebben gehad.

De Staat voerde aan dat de gevraagde documenten grotendeels betrekking hebben op aannemingsbedrijf Kuldipsingh en dat er geen sprake is geweest van schending van aanbestedingsregels. Ook stelde de Staat dat Baitali geen redelijk belang meer had bij verdere uitvoering van het eerdere vonnis, omdat inmiddels een herbeoordeling van de inschrijving had plaatsgevonden.

Kantonrechter Suzanne Chu volgde deze redenering grotendeels. Ten aanzien van de gevraagde documenten oordeelde de rechter dat Baitali niet heeft voldaan aan de wettelijke voorwaarden die gelden voor het verkrijgen van inzage in stukken op grond van artikel 843a van het Nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ook de tweede vordering van Baitali werd afgewezen. 

De rechter stelde vast dat het vonnis van 10 juli 2025 sinds 25 juli 2025 onherroepelijk is geworden. Een nieuwe inhoudelijke beoordeling van dat vonnis is volgens het gesloten stelsel van rechtsmiddelen niet mogelijk.

In de tegenvordering van de Staat kwam de kantonrechter tot het oordeel dat Baitali misbruik maakt van haar executierecht. Volgens de rechter is de reputatieschade die het bedrijf stelt te lijden onvoldoende om verdere executiemaatregelen te rechtvaardigen, mede omdat de Staat al gedeeltelijk uitvoering heeft gegeven aan het eerdere vonnis.
De rechter besloot daarom de verdere executie van het vonnis van 10 juli 2025 te schorsen totdat in een bodemprocedure definitief over het geschil is beslist.

Daarnaast kreeg Baitali een verbod opgelegd om het eerdere vonnis verder ten uitvoer te leggen. Overtreding daarvan kan leiden tot een dwangsom van SRD 10.000 per dag, met een maximum van SRD 1 miljoen. Eenzelfde dwangsom geldt voor het verhinderen van de voortzetting van het project waarop het geschil betrekking heeft.

Baitali werd tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het liquidatietarief van SRD 2.500.

Met de uitspraak heeft de Staat voorlopig de ruimte gekregen om het project voort te zetten, terwijl de kern van het geschil in een bodemprocedure verder zal worden behandeld.