Er is een ongemakkelijke waarheid die in Suriname breed wordt gevoeld, maar zelden consequent wordt aangepakt: het onderwijs is niet alleen een sector met problemen, maar vormt ook de belangrijkste bottleneck voor economische ontwikkeling. Ondernemers kampen met onvervulde vacatures en een gebrek aan technisch en competent personeel, terwijl de schooluitval hoog blijft. Het gevolg is een vicieuze cirkel: zwak onderwijs leidt tot een zwakke economie, terwijl een zwakke economie vervolgens de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs verder onder druk zet.

Die cirkel is niet alleen een sociaal probleem, maar ook een economisch probleem. Een land kan niet duurzaam groeien wanneer bedrijven onvoldoende gekwalificeerd personeel kunnen vinden. Evenmin kan een samenleving sociale mobiliteit creëren wanneer onderwijs onvoldoende perspectief biedt op een betere toekomst. Onderwijs en economie zijn geen gescheiden werelden; zij versterken of verzwakken elkaar voortdurend.

Dat is vooral relevant voor Suriname. Kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s) vormen een belangrijke bron van werkgelegenheid en economische activiteit. Juist deze bedrijven hebben behoefte aan praktisch geschoolde werknemers, technici, ICT-specialisten, administratieve krachten en vakmensen. Wanneer het onderwijs onvoldoende aansluit op deze behoeften, worden niet alleen individuele carrières beperkt, maar ook de groeimogelijkheden van bedrijven en daarmee van de economie als geheel.

Daarom moet Suriname eerst een fase van herstel doorlopen voordat het kan spreken over innovatie en internationale concurrentiekracht. De problemen zijn daarvoor simpelweg te fundamenteel. Veel scholen kampen met achterstallig onderhoud, verouderde leermiddelen en tekorten aan gekwalificeerde leerkrachten. Daarnaast bestaan er aanzienlijke verschillen tussen het kustgebied en het binnenland, waar onderwijsvoorzieningen vaak minder toegankelijk zijn en achterstanden zich over meerdere generaties hebben opgebouwd. Tegelijkertijd verlaten veel gekwalificeerde professionals het land, waardoor ook het onderwijs te maken krijgt met een voortdurende uitstroom van kennis en ervaring.

Onder deze omstandigheden is onderwijs in de eerste plaats een publieke basisvoorziening die op orde moet worden gebracht. Dat vraagt om een nationaal herstelprogramma dat verder gaat dan incidentele projecten of tijdelijke maatregelen. Even belangrijk is het aanpakken van het lerarentekort. Betere arbeidsvoorwaarden, aantrekkelijkere salarissen, mogelijkheden voor professionele ontwikkeling en gerichte stimulansen voor docenten in het binnenland zijn daarom geen luxe, maar noodzakelijke investeringen.

Daarnaast moet sociale ongelijkheid nadrukkelijk onderdeel zijn van het onderwijsbeleid. Kinderen kunnen pas leren wanneer zij daadwerkelijk toegang hebben tot onderwijs en niet dagelijks worden geconfronteerd met belemmeringen zoals armoede, voedselonzekerheid of hoge transportkosten. Schoolmaaltijden, vervoersvoorzieningen en gerichte ondersteuning van kwetsbare gezinnen zijn daarom niet slechts sociale maatregelen; het zijn economische investeringen die de toekomstige productiviteit van het land versterken.

In deze herstelfase moet de nadruk liggen op basisvaardigheden. Taalvaardigheid, rekenvaardigheid, digitale geletterdheid en probleemoplossend vermogen vormen de fundering waarop verdere ontwikkeling rust. Zonder die basis wordt elk gesprek over innovatie, ondernemerschap of economische modernisering vooral een theoretische exercitie.

Pas wanneer die fundering voldoende sterk is, ontstaat ruimte voor een tweede fase: ontwikkeling. In deze fase verschuift het doel van herstel naar groei, innovatie en economische vernieuwing. Dan wordt onderwijs niet alleen gezien als een middel om achterstanden te verkleinen, maar ook als een motor voor ondernemerschap en concurrentiekracht.

Daarbij verdient vooral het beroepsonderwijs een fundamentele herwaardering. In veel samenlevingen bestaat nog steeds de impliciete gedachte dat academisch onderwijs de hoogste vorm van succes vertegenwoordigt. Voor een economie is dat echter een gevaarlijke misvatting. Geen enkel land functioneert zonder praktisch geschoolden. Juist in deze beroepen ontstaan vaak de grootste tekorten.

Voor Suriname wordt dit extra belangrijk door nieuwe economische ontwikkelingen. De opkomst van de offshore olie- en gassector creëert kansen die het land decennialang niet heeft gehad. Maar kansen alleen zijn niet voldoende. Zonder voldoende geschoolde werknemers en zonder sterke lokale bedrijven dreigt een groot deel van de economische waarde weg te vloeien naar buitenlandse ondernemingen en buitenlandse arbeidskrachten.

Daarom moeten onderwijsinstellingen en ondernemers veel intensiever samenwerken. Bedrijven moeten niet langer uitsluitend afnemers van afgestudeerden zijn, maar actieve partners in het onderwijsproces. Duale leertrajecten, stages, praktijkopdrachten en gezamenlijke curriculumontwikkeling kunnen ervoor zorgen dat wat in het klaslokaal wordt geleerd, beter aansluit op wat in de praktijk nodig is.

De keuze waarvoor Suriname staat, is uiteindelijk eenvoudig, maar niet gemakkelijk. Het land kan blijven reageren op afzonderlijke problemen, of kiezen voor een samenhangende strategie waarin onderwijs en economische ontwikkeling als één geheel worden benaderd. Eerst investeren in gelijke kansen, kwaliteit en basisvaardigheden. Daarna ruimte creëren voor ondernemerschap, innovatie en groei. Pas dan verandert de huidige vicieuze cirkel in een opwaartse spiraal waarin onderwijs en economie elkaar niet langer verzwakken, maar juist versterken.

Dat is niet alleen een investering in scholen. Het is een investering in de toekomst van Suriname zelf.

Vincent Roep