De staat heeft tot nu toe ongeveer SRD 1,4 miljard gederfd door de tijdelijke begrenzing van de brandstofprijzen. De regering beraadt zich daarom op het moment en de wijze waarop de brandstofcap wordt afgebouwd. Die beslissing wordt gekoppeld aan de lopende loononderhandelingen met de vakbeweging, omdat minister Adelien Wijnerman van Financiën en Planning het financieel moeilijk acht om zowel de brandstofcap te handhaven als een loonsverhoging voor ambtenaren door te voeren.

Door deze maatregel betaalt de consument niet de volledige prijs die op basis van de internationale marktontwikkelingen zou gelden. Het verschil wordt door de overheid opgevangen. “Per maand geven we ongeveer SRD 350 miljoen uit, dus derven wij als staat”, zei Wijnerman. Volgens haar is het totale bedrag inmiddels opgelopen tot ongeveer SRD 1,4 miljard. De regering bespreekt daarom hoe verder moet worden gegaan met de maatregel. Daarbij wordt zowel gekeken naar volledige beëindiging als naar een gefaseerde afbouw. Een definitief moment is nog niet vastgesteld.

Volgens Wijnerman zal de regering samen met president Jennifer Simons moeten bepalen wanneer het juiste moment is om de cap los te laten. De internationale marktprijs voor brandstof zal daarbij een belangrijke rol spelen. De vooruitzichten zijn volgens de minister op dit moment niet zodanig dat ervan kan worden uitgegaan dat brandstof goedkoper zal zijn wanneer de cap wordt beëindigd. Wat de nieuwe pompprijs wordt, zal daarom pas kunnen worden vastgesteld aan de hand van de internationale prijzen op dat moment.

Loononderhandelingen
Het vraagstuk wordt ingewikkelder doordat tegelijkertijd loononderhandelingen met de vakbeweging plaatsvinden. De regering heeft inmiddels een eerste bod gedaan aan de bonden. Aanstaande maandag wordt verder onderhandeld en wordt ook een tegenbod van de vakbeweging verwacht. Wijnerman wilde nog niet vooruitlopen op de precieze financiële gevolgen van het loonvoorstel zolang de onderhandelingen gaande zijn.

Wel maakte zij duidelijk dat de brandstofcap en een loonsverhoging niet los van elkaar kunnen worden gezien. “We kunnen niet beide”, zei de minister. Het wordt volgens haar moeilijk voor de staat om de brandstofcap, in welke vorm dan ook, te handhaven en tegelijkertijd een loonsverhoging aan met name ambtenaren te geven. Daarbij erkent de regering volgens haar ook het argument van de vakbonden. Wanneer de brandstofcap wordt losgelaten en de pompprijzen daardoor stijgen, kan een deel van een verkregen loonsverhoging onmiddellijk weer verloren gaan aan hogere kosten. “Het eerste wat de bond zegt: als u dat loslaat en u ons aan de andere kant een loonsverhoging geeft, betekent het niets”, legde Wijnerman uit.

Daarom wordt volgens haar nadrukkelijk gekeken naar het moment waarop een verandering van de brandstofmaatregel kan worden doorgevoerd. Ook zal de regering duidelijk met de samenleving moeten communiceren over wat het loslaten van de cap betekent voor de brandstofprijzen.

De regering staat daarmee voor een financiële en sociale afweging. Voortzetting van de brandstofcap beschermt consumenten tegen de volledige doorwerking van hogere internationale prijzen, maar legt maandelijks een zware last op de staatsfinanciën. Het beëindigen ervan creëert daarentegen financiële ruimte voor de overheid, maar kan de koopkracht onder druk zetten en daarmee ook de uitkomst van de loononderhandelingen gedeeltelijk tenietdoen. Wijnerman noemde zowel de brandstofcap als de lopende loononderhandelingen momenteel prioritaire dossiers voor Financiën.