Visresten die in Suriname grotendeels als afval worden beschouwd, kunnen worden verwerkt tot visolie en startervoer voor slachtkippen. Dat blijkt uit afstudeeronderzoek van Mukhlis Karsodjojo aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS). Bij de productie van visolie bleek enzymatische hydrolyse de meest efficiënte van de twee onderzochte milieuvriendelijke extractiemethoden. Ook konden met visbijproducten en lokaal beschikbare ingrediënten voeders met acceptabele voedingswaarden worden samengesteld.

Karsodjojo studeerde op 17 augustus af als Bachelor of Science in Agrarische Productie, met als oriëntatie Agroprocessing, aan de Faculteit der Technologische Wetenschappen (FTeW). Zijn onderzoek richtte zich op de mogelijkheden om reststromen uit de Surinaamse vissector economisch beter te benutten. Bij de verwerking van vis blijven onder meer koppen, vinnen, graten, schubben en ingewanden achter. Ook ongewenste bijvangst kan tot deze reststroom worden gerekend. Veel van dit materiaal wordt als afval behandeld en op land of in zee gedumpt, terwijl het nog eiwitten, vetten en mineralen bevat. Karsodjojo onderzocht daarom of deze visbijproducten kunnen worden omgezet in producten met toegevoegde waarde.

Twee methoden voor visolie
Voor het produceren van visolie werden restproducten van één vissoort en mengsels van verschillende vissoorten gebruikt. Twee zogenoemde groene extractiemethoden werden getest: natte extractie (wet rendering) en enzymatische hydrolyse. Met beide methoden kon ruwe visolie worden geproduceerd. De oliën werden onder meer beoordeeld op opbrengst, kleur, geur en de aanwezigheid van minerale oliën.

Uit het onderzoek bleek dat enzymatische hydrolyse een significant hogere olieopbrengst opleverde dan natte extractie. Daarmee kwam deze methode in het onderzoek naar voren als de efficiëntere manier om olie uit de visbijproducten te winnen.

Visresten ook verwerkt in kippenvoer
Een tweede onderdeel van het onderzoek richtte zich op het gebruik van visbijproducten in startervoer voor slachtkippen. Hiervoor werden nieuwe voersamenstellingen ontwikkeld waarin de visresten werden gecombineerd met lokaal beschikbare ingrediënten. De voeders werden onderzocht op onder meer vocht-, as-, eiwit-, vet- en koolhydraatgehalte en vervolgens vergeleken met commercieel verkrijgbaar startervoer. De zelf samengestelde voeders bleken volgens het onderzoek acceptabele gehalten aan voedingsstoffen te bevatten.

Economisch is er echter nog een uitdaging. Op kleine schaal lagen de productiekosten van het zelf samengestelde startervoer hoger dan die van commercieel voer. Daartegenover staan volgens het onderzoek voordelen zoals het verminderen van afvalstromen, het benutten van lokaal beschikbare grondstoffen en het creëren van waarde uit materiaal dat anders grotendeels verloren gaat.

Het onderzoek laat daarmee zien dat er mogelijkheden zijn om visbijproducten duurzamer te benutten. Verdere studie is volgens Karsodjojo wel nodig, onder meer naar de raffinage van de geproduceerde visolie en manieren om de productiekosten van het startervoer te verlagen.

Karsodjojo werd bij zijn onderzoek begeleid en beoordeeld door dr. ir. F. van Genderen, dr. A. Kent, ing. S. Moeljoredjo, M. Jaggan en prof. L. Ori.