Aan het einde van de begrotingsbehandeling sprak president Jennifer Simons misschien wel de belangrijkste woorden van het hele debat. Terwijl vrijwel iedere minister tijdens de behandeling pleitte voor méér geld, trok het staatshoofd uiteindelijk een duidelijke grens. Er komt geen grotere begroting. Er is geen geld. Dat is een harde boodschap. Niet alleen omdat het begrotingstekort inmiddels is opgelopen tot ruim vijf procent van het bruto binnenlands product en ongeveer SRD 13 miljard extra moet worden gefinancierd, maar vooral omdat daarmee een realiteit wordt uitgesproken die Suriname jarenlang voor zich uit heeft geschoven. We leven boven onze stand.

De komende drie jaren zullen volgens de president moeilijke  worden. Pas wanneer de inkomsten uit olie en gas daadwerkelijk beginnen binnen te komen, ontstaat er meer financiële ruimte. Tot die tijd zullen keuzes moeten worden gemaakt. Niet alles kan tegelijk. Er zullen prioriteiten moeten worden gesteld, ook omdat de uitvoeringscapaciteit van de overheid haar grenzen kent.

Maar zijn we als land ook bereid de consequenties daarvan te aanvaarden? Bezuinigen is bij ons bijna een taboewoord geworden. Zodra het wordt uitgesproken, denkt iedereen onmiddellijk aan hogere prijzen, minder koopkracht, minder sociale voorzieningen of zwaardere belastingen. Alsof bezuinigen uitsluitend betekent dat de burger opnieuw moet inleveren. Bezuinigen hoeft niet te betekenen dat het leven ondragelijk wordt. Misschien ligt het juist voor de hand dat de bezuinigingen beginnen bij de overheid zelf.

Hoeveel subsidies worden nog steeds verstrekt aan mensen of sectoren die die ondersteuning eigenlijk niet nodig hebben? Hoeveel overheidsgeld verdwijnt jaarlijks naar instellingen en parastatale bedrijven die nauwelijks bijdragen aan de ontwikkeling van het land, maar wel structureel afhankelijk zijn geworden van staatsmiddelen? Hoeveel salaris wordt betaald aan mensen die nauwelijks of geen productieve bijdrage leveren? Het onderwerp van de zogenoemde spookambtenaren duikt al jaren op in discussies, maar een structurele oplossing blijft uit.

Iedereen kent de verhalen over overuren die worden geschreven terwijl de productiviteit nauwelijks toeneemt. Vergaderingen die uren later beginnen dan gepland. Assembleevergaderingen die geen doorgang vinden omdat er geen quorum is, terwijl beveiliging, chauffeurs, catering, schoonmaak, technische ondersteuning en andere diensten wel volledig zijn ingezet. De rekening loopt gewoon door. Niemand ziet die verspilling rechtstreeks terug op een begrotingsstaat. Maar de belastingbetaler betaalt haar wel.

Hetzelfde geldt voor buitenlandse dienstreizen. Natuurlijk zijn internationale contacten noodzakelijk. Suriname moet onderhandelen met financiële instellingen, investeerders aantrekken, deelnemen aan regionale organisaties en diplomatie bedrijven. Niet iedere reis kan via een beeldscherm plaatsvinden. Maar ook hier mag de vraag worden gesteld of iedere reis werkelijk noodzakelijk is.

Want zelfs wanneer vliegtickets of hotelkosten door een internationale organisatie worden betaald, zijn er vaak andere uitgaven die voor rekening van de Surinaamse staat blijven. Dagvergoedingen, voorbereidingen, protocollaire ondersteuning, vervanging van personeel en andere kosten lijken misschien beperkt, maar opgeteld vormen zij een bedrag dat in deze periode niet langer vanzelfsprekend zou moeten zijn. Juist nu de regering de samenleving vraagt zich voor te bereiden op drie moeilijke jaren, moet zij zelf zichtbaar het voorbeeld geven.

Dat geldt evenzeer voor de vele importen die nauwelijks bijdragen aan de eerste levensbehoeften, terwijl kostbare deviezen het land verlaten. Het geldt voor projecten die best een jaar kunnen wachten. Voor instellingen waarvan de maatschappelijke meerwaarde eerlijk tegen het licht moet worden gehouden. En voor iedere SRD die wordt uitgegeven zonder dat iemand zich afvraagt of die uitgave werkelijk noodzakelijk is.

Maar bezuinigen alleen zal Suriname niet uit de financiële problemen halen. Er zal ook nadrukkelijk moeten worden gekeken naar de inkomstenkant van de begroting. Al jaren wordt gesproken over een betere afdracht van inkomsten uit de goud- en houtsector. De natuurlijke rijkdommen van Suriname behoren de samenleving ten goede te komen. Iedere SRD die de staat rechtmatig meer weet te innen uit deze sectoren, hoeft niet te worden geleend of te worden weggehaald bij onderwijs, gezondheidszorg of sociale voorzieningen. Goed financieel beleid betekent daarom niet alleen minder uitgeven, maar ook beter innen wat de samenleving toekomt.

De staatsbegroting moet niet gezien worden als alleen maar een financieel document. In werkelijkheid is het een vraagstuk van discipline. Iedereen wil dat er wordt bezuinigd, maar vrijwel altijd bij iemand anders. Ministers willen grotere begrotingen. Parlementariërs willen meer projecten. Vakbonden willen hogere lonen. Bedrijven willen belastingvoordelen. Instellingen willen meer subsidie. Burgers willen lagere prijzen. Maar uiteindelijk wordt al dat geld uit dezelfde staatskas betaald, maar die is vrijwel leeg,

Misschien is dit wel het moment waarop geleerd moet worden dat bezuinigen niet hetzelfde is als verarmen. Een gezin dat tijdelijk minder inkomsten heeft, koopt ook geen nieuwe auto omdat die misschien over drie jaar wel betaalbaar wordt. Het kijkt eerst waar geld onnodig weglekt. Het stelt prioriteiten. Het stelt uit wat kan wachten en beschermt wat echt noodzakelijk is. Waarom zou een land of overheid dat anders doen?

De olie- en gasinkomsten zullen ongetwijfeld nieuwe kansen bieden. Maar zij lossen één probleem niet op: een cultuur waarin het uitgeven van overheidsgeld te vaak vanzelfsprekend is geworden. Misschien ligt daar de grootste opdracht van deze regering. Niet alleen de begroting sluitend krijgen, maar het voorbeeld geven en leren dat verstandig omgaan met schaarse middelen misschien wel waardevoller is dan de rijkdom die straks uit de bodem komt. 

Wilfred Leeuwin