Suriname moet haast maken met de resterende maatregelen tegen witwassen, terrorismefinanciering en proliferatiefinanciering om niet geblacklist te worden door de Financial Action Task Force (FATF). Wetten moeten worden aangenomen, staatsbesluiten en beschikkingen afgerond en instituten versterkt om te voorkomen dat het land internationaal verder in de problemen komt. En zoals wel vaker begint de tijd ineens heel snel te gaan. Suriname heeft een wonderlijke gave om vlak voor het sluiten van de deur nog naar binnen te glippen. Waarschijnlijk lukt dat ook deze keer. Een wet kun je overnight aannemen. Een goed werkend systeem bouw je echter niet in één nacht.

De FATF en de regionale Caribbean Financial Action Task Force (CFATF) zijn voor velen ver-van-hun-bed-organisaties. Hun aanbevelingen gaan over zaken waarvan de gemiddelde Surinamer niet onmiddellijk rechtop gaat zitten: compliance, witwassen, terrorismefinanciering, proliferatiefinanciering, toezicht en risicobeoordelingen. Totdat het misgaat.

Wanneer een land internationaal als financieel risico wordt aangemerkt, blijft dat niet in vergaderzalen hangen. Banken merken het. Bedrijven merken het. Investeerders merken het. Surinamers die geld moeten ontvangen of overmaken, kunnen het merken. Dan wordt FATF plotseling een stuk minder abstract. Suriname weet al jaren dat er huiswerk ligt. Na de evaluatie van 2022 kwam het land in een Enhanced Follow-Up-proces terecht. Tekortkomingen moesten worden weggewerkt. Wetgeving moest worden aangepast, toezicht versterkt en instituten moesten beter gaan functioneren. Sindsdien is veel gebeurd. Dat mag worden gezegd.

In oktober vorig jaar stond Suriname op 27 van de 40 FATF-aanbevelingen als compliant of largely compliant: tien volledig en zeventien grotendeels in overeenstemming met de internationale standaard. Een behoorlijke sprong vooruit. Alleen heeft een lijst van veertig de vervelende eigenschap dat hij na nummer 27 niet ophoudt. Er bleven dertien aanbevelingen over. Vanaf toen begon de klok steeds luider te tikken. Eerder dit jaar waarschuwde de Nationale Anti Money Laundering Commissie dat voor de beoordeling van 2026 geen nieuwe verzoeken tot opwaardering konden worden ingediend, omdat daarvoor geen relevante wetten door De Nationale Assemblee waren aangenomen. Dat is het moment waarop een technisch dossier ineens een heel Surinaams verhaal wordt. Want nu moet er worden gerend.

In het parlement werd deze week terecht gevraagd om een compleet overzicht. Niet alleen van wetsontwerpen, maar ook van staatsbesluiten, ministeriële beschikkingen en institutionele maatregelen. Wie moet wat doen? En vooral: wanneer? Die vragen hadden al lang geleden op één A4'tje moeten kunnen worden beantwoord.

Het probleem is niet dat Suriname niet wist wat er moest gebeuren. Het probleem is dat de tijd tussen weten wat moet gebeuren en het daadwerkelijk doen verbazingwekkend groot is geworden. Totdat de deadline dichtbij komt. Dan kunnen we heel snel. Ambtenaren werken door. Ministers overleggen. Juristen schrijven. Commissies vergaderen. Parlementariërs krijgen stapels stukken. De Nationale Assemblee vergadert langer. Als het moet tot laat in de avond, en als het écht moet misschien tot na middernacht.

Ik twijfel er niet aan dat Suriname een groot deel van het resterende werk alsnog gedaan kan krijgen. Wij zijn goed geworden in functioneren onder druk van een deadline. Misschien is dat inmiddels een nationale competentie. Maar bij wetgeving tegen witwassen en terrorismefinanciering, moeten we daar niet al te trots op zijn. Het doel is niet dat achter de resterende dertien aanbevelingen een groen vinkje komt. Het doel is dat Suriname een financieel systeem heeft waarin crimineel geld moeilijker wordt witgewassen, illegale geldstromen te verbergen en financiering van terrorisme of proliferatie via het financiële systeem te laten lopen.

Internationale compliance is belangrijk. Suriname kan het zich niet permitteren op een zwarte lijst terecht te komen. Ook een grijze lijst moeten we willen voorkomen. Maar wetten maken uitsluitend omdat een internationale beoordelaar binnenkort langskomt, is als je huis schoonmaken omdat bezoek heeft aangekondigd dat het onderweg is. Het huis ziet er prachtig uit als de bel gaat. De vraag is hoe het er een maand later uitziet.

Wetgeving heeft tijd nodig. Daar zit het grootste ongemak bij de haast die nu ontstaat. Deze wetten zijn niet onschuldig. Ze kunnen diep ingrijpen in de financiële wereld, het bedrijfsleven en ook in de rechten van burgers. Wie moet informatie verstrekken? Wie mag informatie opvragen? Wanneer is een transactie verdacht? Welke bevoegdheden krijgen toezichthouders? Wanneer kan vermogen worden bevroren? Welke verplichtingen krijgen banken, accountants, notarissen, casino's, bedrijven en andere instellingen?

Daarvoor is parlementaire discussie nodig. Het vraagt deskundigheid en maatschappelijke consultatie. Soms verdient een wetsartikel zelfs de luxe om tweemaal te worden gelezen. Dat wordt lastig wanneer wordt gewacht tot het vijf voor twaalf is. Natuurlijk zijn er momenten waarop een parlement snel moet handelen. Nationale belangen kunnen dat vereisen. Maar snelheid mag nooit een vervanging worden voor zorgvuldigheid. Een wet kun je in één nacht aannemen. Je kunt haar zelfs met algemene stemmen aannemen en daarna tevreden naar huis gaan. Maar een integere financiële sector, sterke toezichthouders, deskundige opsporingsdiensten en een cultuur waarin regels worden nageleefd, ontstaan niet door het opsteken van 51 handen. 

De echte test komt daarna. FATF gaat uiteindelijk niet alleen om wat er in het Staatsblad staat, maar om de vraag of het systeem werkelijk werkt. We moeten de internationale deadlines halen; de economische en financiële belangen zijn te groot om ermee te gokken. Misschien glippen we opnieuw vlak voordat de deur sluit naar binnen, strijken onze kleren glad en doen alsof we daar al een kwartier stonden. Dat kunnen we goed. Maar daarna moet blijken dat we niet alleen de deadline hebben gehaald, maar ook eindelijk echt hebben geleerd op tijd te beginnen.

Wilfred Leeuwin