Advocaten tijdens de virtuele zitting van CCJ.
Advocaat Milton Castelen, raadsman van de Trinidadiaanse politiek consultant Derek Ramsamooj, zegt dat de recente uitspraak van het Caribbean Court of Justice (CCJ) verstrekkende gevolgen heeft voor het Surinaamse rechtssysteem. Volgens hem zal de Surinaamse rechter voortaan nadrukkelijker moeten toetsen of nationale wetgeving in overeenstemming is met internationale verdragen en mensenrechtenstandaarden.

Castelen reageert op de uitspraak waarbij het CCJ oordeelde dat Suriname het recht op vrije beweging van Ramsamooj binnen CARICOM heeft geschonden door hem gedurende langere tijd zonder effectieve toegang tot een advocaat vast te houden. Volgens de advocaat ligt één van de belangrijkste gevolgen van de uitspraak in de toepassing van artikel 137 van de Surinaamse Grondwet. Dat artikel geeft rechters de bevoegdheid om nationale wetgeving te toetsen aan internationaal verdragsrecht.

“De Surinaamse rechter zal nu meer dan ooit gebruik moeten maken van de bevoegdheid die artikel 137 van de Grondwet geeft om te toetsen of nationale wetgeving voldoet aan de standaarden en vereisten van verdragen die voor Suriname gelden,” zegt Castelen. 
Hij stelt dat rechters nationale bepalingen die in strijd zijn met internationaal recht in concrete gevallen buiten toepassing kunnen laten. Tegelijkertijd ziet hij ook een belangrijke opdracht voor de wetgever om bestaande wetgeving aan te passen.

Volgens Castelen won Ramsamooj de zaak op basis van drie belangrijke juridische vragen die het hof moest beantwoorden.
De eerste vraag was of binnen het CARICOM-gemeenschapsrecht minimale mensenrechtenstandaarden gelden voor burgers van de lidstaten. Het hof heeft die vraag volgens hem bevestigend beantwoord.

De tweede draaide om de vraag of die minimale mensenrechten noodzakelijk zijn voor het effectief kunnen uitoefenen van rechten binnen CARICOM, zoals het vrije verkeer van personen en dienstverlening. Ook daarop antwoordde het hof bevestigend.

De derde kernvraag had betrekking op artikel 40 lid 2 van het Surinaamse Wetboek van Strafvordering. Volgens Castelen moest het hof beoordelen of die bepaling een onrechtmatige beperking vormt op de rechten die voortvloeien uit het herziene Verdrag van Chaguaramas.
“Ook die vraag is bevestigend beantwoord, omdat artikel 40 lid 2 niet in lijn is met het herziene Verdrag van Chaguaramas,” aldus de advocaat.

Castelen benadrukt dat het CCJ zich niet heeft uitgesproken over de inhoud van de strafzaak tegen Ramsamooj zelf. Volgens hem maakte dat geen deel uit van de procedure die bij het hof aanhangig was gemaakt. De zaak draaide specifiek om de wijze waarop het Openbaar Ministerie artikel 40 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering had toegepast tijdens het strafrechtelijk onderzoek.

Volgens Castelen mocht Ramsamooj gedurende meerdere weken geen contact hebben met zijn advocaat en familie. In het internationaal recht staat dat bekend als incommunicado detention. “Dat is onder internationale standaarden absoluut verboden,” zegt Castelen. “En precies dat is hem opgelegd.”

Het CCJ oordeelde uiteindelijk dat Suriname daarmee de rechten van Ramsamooj onder het CARICOM-gemeenschapsrecht heeft geschonden.