In december 2025 zijn vier initiatiefwetten ingediend tot wijziging van de Grondwet. Zij hebben één gemeenschappelijke noemer: hervorming van de rechterlijke macht.

Eén voorstel introduceert cassatierechtspraak: een instantie boven het Hof van Justitie die niet opnieuw over de feiten oordeelt, maar toetst of het recht juist is toegepast en of procesregels correct zijn nageleefd. Een ander voorstel voorziet in een college van procureurs-generaal (pg's), waarin meerdere procureurs-generaal gezamenlijk het vervolgingsbeleid bepalen. Dat is de zakelijke weergave. Maar waar de techniek eindigt, begint de principiële vraag: welk probleem lossen wij hiermee op?

Elke grondwetswijziging vereist een heldere diagnose. Is er sprake van inconsistentie in de rechtspraak? Ontbreekt een mechanisme voor rechtsontwikkeling? Is het vervolgingsbeleid te afhankelijk van één persoon? Bestaan er aantoonbare risico’s op willekeur of politieke beïnvloeding?

Als het antwoord bevestigend is, dan is hervorming legitiem — mits gebaseerd op onderzoek, cijfers en concrete knelpunten. Zonder onderbouwing blijven wij steken in stellingen. En stellingen zijn geen conclusies.

Cassatie: versterking of vertraging?

Cassatierechtspraak kan de rechtszekerheid bevorderen en richting geven aan rechtsontwikkeling. Zij kan rechtsregels verduidelijken, lagere rechters richting geven en bijdragen aan de eenheid van rechtspraak. In grotere rechtsstelsels vormt cassatie een essentieel sluitstuk. Maar cassatie betekent ook extra procedures, tijd en kosten. Zij vergt gespecialiseerde rechters, een stevige griffie en een cultuur van juridisch-technische precisie.

In een kleine rechtsgemeenschap rijst de vraag of er voldoende institutionele capaciteit bestaat om zo’n instantie onafhankelijk en kwalitatief te laten functioneren. Wie bemenst haar? Hoe wordt belangenverstrengeling vermeden? En hoe voorkomen wij dat rechtsbescherming voor de burger vooral langer en duurder wordt?

Meer lagen maken een rechtsstaat niet automatisch sterker. Een extra instantie kan ook een extra filter worden dat afstand creëert tussen recht en rechtzoekende. Cassatie versterkt alleen wanneer zij uit aantoonbare noodzaak voortvloeit en zorgvuldig wordt ingebed in de bestaande structuur.

Een college van procureurs-generaal: spreiding of verdunning?

Het voorstel tot instelling van een college van pg's beoogt het vervolgingsbeleid minder afhankelijk te maken van één persoon. Machtsspreiding kan stabiliteit en consistentie bevorderen. Besluiten worden gezamenlijk genomen; beleid krijgt een bredere basis.

Maar collegialiteit kent ook een keerzijde. Wanneer verantwoordelijkheid wordt gedeeld, kan zij diffuus worden. Wie is aanspreekbaar wanneer het vervolgingsbeleid tekortschiet? Wie draagt de politieke en morele verantwoordelijkheid bij gevoelige strafzaken? Collectieve besluitvorming kan de kwaliteit verhogen, maar ook besluitvorming vertragen of verbergen achter interne consensus.

Institutionele hervorming vraagt daarom om een zorgvuldig evenwicht tussen onafhankelijkheid, efficiëntie en accountability. Macht spreiden zonder verantwoordelijkheid te verduidelijken, creëert geen versterking maar verwarring.

De les van 1987

Bij de totstandkoming van de Grondwet van 1987 werd het publiek actief geïnformeerd via bijeenkomsten en debatten. Niet iedereen was overtuigd, maar er was betrokkenheid. De Grondwet werd niet slechts aangenomen; zij werd besproken.

Vandaag beschikken wij over communicatiemiddelen die toen ondenkbaar waren. Waarom zouden wij die niet systematisch inzetten bij fundamentele grondwetswijzigingen? De formele bevoegdheid ligt bij de wetgever, maar goed bestuur vraagt om geïnformeerde legitimiteit. Een Grondwet kan juridisch geldig zijn, maar zonder breed begrip blijft zij moreel kwetsbaar.

Constitutionele techniek en constitutioneel geweten

Het debat over cassatie en een college van pg's is juridisch-technisch. Maar onder de techniek ligt een morele laag. De rechtsstaat leeft niet van wetten alleen, maar van vertrouwen: het vertrouwen dat hervormingen noodzakelijk zijn, niet opportunistisch.

Wanneer wordt gesteld dat wetswijzigingen moeten rusten op feiten, degelijk onderzoek en aantoonbare noodzaak, dan is dat geen politieke voorkeur, maar een norm. Hervormen om te verbeteren is iets anders dan hervormen om te veranderen.

Stel u voor dat fundamentele wijzigingen gepaard gaan met publieke uitleg, open bijeenkomsten en ruimte voor vragen — zonder partijpolitiek theater. Geen mobilisatie, maar verheldering. Geen polemiek, maar rechtsvorming.

Misschien klinkt dat idealistisch. Maar wat is naïever: denken dat een ingrijpende herziening zonder brede betrokkenheid stevig zal wortelen, of geloven dat een samenleving volwassen genoeg is om over haar rechtsorde mee te denken?

De kernvraag

Een samenleving verzwakt niet door een gebrek aan wetten, maar wanneer instituties hun legitimiteit verliezen. Cassatierechtspraak kan waardevol zijn. Een college van pg's kan versterkend werken. Maar de wijze waarop wij daarover besluiten, zegt uiteindelijk meer over onze rechtsstaat dan de institutionele vorm zelf.

En daarom blijft één vraag over — niet juridisch, maar moreel:

Durven wij niet alleen onze Grondwet te wijzigen, maar ook de manier waarop wij daarover met elkaar spreken?

Ismaël Kalaykhan