Een weerwoord aan mr. Castelen

Het debat over artikel 140 van de Surinaamse Grondwet en de Wet in staat van beschuldigingstelling politieke ambtsdragers (WIPA) is de afgelopen weken terecht geïntensiveerd. Waar eerdere bijdragen, waaronder die van ondergetekende en mr. dr. Jadnanansing, wezen op de spanning tussen deze regeling en fundamentele rechtsstatelijke beginselen, kiest mr. M.A. Castelen in zijn bijdrage van 1 april 2026 voor een tegengestelde benadering. Volgens hem vormt artikel 140 juist een bescherming van de rechtsstaat. Die stelling verdient een scherp weerwoord. Wie artikel 140 als rechtsstatelijke waarborg presenteert, miskent immers de kern van het probleem: niet de uitkomst van het strafproces, maar de toegang daartoe staat hier onder politieke controle.

Een misplaatst beroep op de rechtsstaat

Castelen betoogt dat artikel 140 voorkomt dat het strafrecht wordt misbruikt als politiek instrument. Dat argument klinkt vertrouwd en intuïtief aantrekkelijk. Niemand zal ontkennen dat politieke vervolging een reëel gevaar kan vormen. Juist daarom is in de klassieke rechtsstaat een andere keuze gemaakt: bescherming tegen misbruik ligt niet in politieke filtering, maar in onafhankelijke instituties. Een professioneel Openbaar Ministerie en een onafhankelijke rechter vormen het primaire schild tegen willekeur. In een democratische rechtsstaat geldt dat de wetgever de normen vaststelt, het bestuur deze uitvoert, het Openbaar Ministerie zelfstandig beslist over vervolging en de rechter uiteindelijk oordeelt. Het systeem van artikel 140 doorbreekt deze ordening door de politiek een voorafgaande, doorslaggevende rol te geven in de toegang tot strafvervolging. Dat is geen versterking van de rechtsstaat, maar een politieke correctie daarop.

Van rechtsbescherming naar politieke drempel
De kern van het probleem ligt in de verschuiving van een juridische naar een politieke toets. Waar normaliter het Openbaar Ministerie beoordeelt of er voldoende grond is voor vervolging, wordt deze beslissing bij politieke ambtsdragers voorafgegaan door een parlementaire afweging. Castelen presenteert dit als bescherming. In werkelijkheid betreft het een politieke drempel. De vraag die centraal komt te staan, is niet langer of er voldoende strafrechtelijke aanwijzingen zijn, maar of er een politieke meerderheid bestaat die vervolging wenselijk acht. Daarmee wordt de toegang tot de rechter afhankelijk van politieke machtsverhoudingen. Dat vormt een principiële breuk met het uitgangspunt dat het recht voor eenieder gelijk toegankelijk behoort te zijn.

De fictie van neutrale politiek

De redenering van Castelen veronderstelt impliciet dat het parlement deze rol neutraal en uitsluitend rechtsstatelijk zal invullen. Die aanname is moeilijk houdbaar. Het parlement is per definitie een politiek orgaan. Besluitvorming vindt plaats langs lijnen van coalitie en oppositie, loyaliteit en belangenafweging. Juist daarom is het problematisch om dit orgaan een sleutelrol te geven in de toegang tot strafrechtelijke vervolging. De kans dat politieke overwegingen, expliciet of impliciet, een rol spelen, is niet hypothetisch, maar inherent aan de constructie. In een relatief kleine samenleving, waarin persoonlijke netwerken en onderlinge afhankelijkheden een grotere rol spelen, wordt dit risico eerder versterkt dan verminderd. De combinatie van politieke filtering en een ‘ons-kent-ons’-cultuur maakt het systeem extra kwetsbaar.

Gelijkheid voor de wet als sluitpost

Een ander punt waarop de redenering van Castelen tekortschiet, betreft de rechtsgelijkheid. Artikel 140 creëert een uitzonderingspositie voor politieke ambtsdragers. Waar de gewone burger direct onderworpen is aan de strafrechtelijke beoordeling door het Openbaar Ministerie, geldt voor bestuurders een aanvullende politieke drempel. Dat is geen louter procedureel detail, maar raakt de kern van de rechtsstaat. Gelijkheid voor de wet betekent niet alleen gelijke uitkomsten, maar ook gelijke toegang tot het recht. Wanneer die toegang afhankelijk wordt van politieke goedkeuring, ontstaat een structureel onderscheid dat moeilijk te rechtvaardigen is.

Vermenging van machten
Castelen beroept zich op de trias politica, maar miskent dat artikel 140 juist een vermenging van machten institutionaliseert. De wetgevende macht wordt betrokken bij een fase die wezenlijk tot de strafrechtspleging behoort. De kracht van de trias politica ligt in functionele scheiding, niet in onderlinge inmenging. Door het parlement een rol te geven in de toegang tot strafvervolging, wordt deze scheiding doorbroken. Het resultaat is geen evenwicht, maar spanning: een systeem waarin politieke en juridische logica door elkaar gaan lopen.

Historische intentie versus huidige werking
Dat artikel 140 historisch verklaarbaar is, staat buiten kijf. In de context van de onafhankelijkheid kan de wens om politieke stabiliteit te waarborgen een rol hebben gespeeld. Maar goede bedoelingen vormen geen garantie voor een juiste werking. In de huidige praktijk rijst de vraag of de regeling niet eerder leidt tot het tegenovergestelde van wat zij beoogt: het bemoeilijken van effectieve strafrechtelijke verantwoording van politieke ambtsdragers. Juist in zaken waarin onafhankelijk rechterlijk toezicht het meest noodzakelijk is, kan de politieke drempel een blokkade vormen.

Conclusie: bescherming of verhindering?
De kern van het debat is daarmee helder. Artikel 140 beschermt niet primair tegen misbruik van het strafrecht, maar introduceert een mechanisme waarbij politieke besluitvorming voorafgaat aan juridische beoordeling. De toegang tot het gerechtelijke oordeel wordt expliciet politiek gefilterd. Daar ligt het werkelijke probleem. Wie dit systeem verdedigt als rechtsstatelijke waarborg, verwart bescherming met verhindering. De vraag is niet óf politieke ambtsdragers bescherming verdienen, maar waar die bescherming moet worden gezocht: in politieke controle of in de versterking van onafhankelijke instituties. Een moderne rechtsstaat kiest voor het laatste. Suriname zal die keuze uiteindelijk ook moeten maken.

Dr. Headly R. Binderhagel