Jack Menke
‘Local content’ voor offshore-olie: omkering van ontwikkeling

Deel 2 van de serie Offshore-olie en ‘oliedomheid’ belicht Local Content in landen met grote olievoorraden. Een eerste probleem vormen pogingen van beleidsvoerders om een mogelijke ‘grondstoffenvloek’ te vermijden, terwijl het Local Content Beleid (LCB) hand in hand gaat met grondstoffenexploitatie, wat de tekortkomingen van de grondstoffenmonocultuur juist versterkt. Een tweede probleem vormen enge politieke en financieel-economische drijfveren, waardoor de uitvoering van een Local Content Beleid verstrikt raakt in een top-down politiek project. Dit ondermijnt pogingen tot bevrijding van koloniaal ‘enclave-extractivisme’ en resulteert in een van de nationale economie afgescheiden project: grootschalig olie-enclave-extractivisme.

Local content
‘Local Content’ werd bekend in het midden van de 20ste eeuw door de regelgeving voor internationale handel en productie en werd belangrijk binnen het Europese Natural Resource Governance Institute voor internationale energie- en mijnbouwactiviteiten. In de Suriname Energy Guide 2026/2027 (pag. 52) omschrijven degenen die Local Content bruikbaar achten dit als regelgeving die buitenlandse oliemaatschappijen verplicht om zoveel mogelijk Surinamers in dienst te nemen en Surinaamse producten en diensten te gebruiken. Hiermee wil men voorkomen dat inkomsten uit offshore-olie volledig naar het buitenland verdwijnen, zonder wortel te schieten binnen Suriname.

Hoe vertaalt dit zich in de dagelijkse praktijk? Terwijl de olie-industrie slechts een beperkt aantal banen biedt op de olieplatforms, ligt de winst volgens de Suriname Energy Guide voor de bevolking in de toeleveringsketen. Dit wordt verduidelijkt met vier voorbeelden van hoe Local Content de portemonnee van de gewone burger kan beïnvloeden: i) landbouw (voedsel); lokale lassers (technische beroepen); transportbedrijven (logistiek); lokale schoonmaakdiensten.

In Guyana is men stappen verder met Local Content en is het beleid vastgelegd in de Wet op Local Content van 2021 om deelname van Guyanese staatsburgers en bedrijven aan de aardoliesector te vergroten. Terwijl ExxonMobil Guyana in 2026 Local Content bejubelt en meldt dat 68% van zijn personeelsbestand uit Guyanezen bestaat, is het spaar- en stabilisatiefonds sterk gepolitiseerd en neemt de economische ongelijkheid toe. In Suriname is er (nog) geen strakke nationale Local Content-wetgeving voor offshore-olie en loopt dit beleid tot nu toe grotendeels via productiedelingscontracten en sturing door Staatsolie.

Local content wereldwijd
Terwijl Suriname van ca. 1950-1969 een Industrialization by invitation-model uitvoerde met bauxiet als pijler, zien we internationaal een enigszins ander beeld (Tabel 1). Local Content Beleid (LCB) doorliep binnen de internationale mijnbouwsector sinds het midden van de vorige eeuw drie fasen.

Tijdens fase 1 (1950s tot 1970s) domineerde het klassiek extractivisme met protectionistisch industrieel beleid, grondstoffennationalisme en importsubstitutie. Fase 2 markeert vanaf 1980 de opkomst van het neoliberalisme, waarbij het Local Content Beleid werd teruggedraaid. In de plaats van LCB kwamen onder meer structurele aanpassingsprogramma’s, zoals in Guyana en in Suriname (1992-1994).

Fase 3 toont sinds begin 2000 het post-neoliberaal extractivisme, vooral gericht op vermindering van armoede en inclusieve ontwikkeling. De kern vormt het begrip ‘verbindingen’ (linkages) ter bevordering van werkgelegenheid, beheer van de toeleveringsketen, sociale uitgaven en belastingen door diversificatie van de extractieve sector. Post-neoliberaal extractivisme zien we na 2000 bij diverse linkse regeringen in Latijns-Amerika, waarbij staatsinkomsten uit de verkoop van olie en andere delfstoffen werden aangewend voor de financiering van sociale programma’s. Tegelijkertijd brachten extractieve activiteiten enorme schade toe aan het milieu.

Local Content Beleid (LCB) sinds 1950

Enclave-extractivisme
Enclave-extractivisme verwijst naar grootschalige exploitatie van delfstoffen, zoals offshore-olie, in afgescheiden projecten met weinig of geen verbinding met de nationale economie. In de praktijk worden ruwe grondstoffen geëxporteerd zonder lokale verwerking of waardetoevoeging, met weinig of geen verbindingen met andere sectoren in het grondstoffenproducerende land. Tevens zijn productielocaties fysiek afgescheiden van de meeste lokale gemeenschappen in de kustvlakte en het binnenland.

Een ander negatief gevolg van enclave-extractivisme voor Suriname is, evenals in de bauxietindustrie (1916-2016), dat multinationals behalve de grondstof (nu olie!) ook kapitaal onttrekken, met doorgaans beperkte investeringen in Suriname, zoals belastingafdrachten, royalties en salarissen. Dit ondermijnt Ontwikkeling (d.w.z. participatie, duurzaamheid en harmonische diversiteit) van de algehele Surinaamse samenleving, inclusief andere sectoren, kerninstituten en groepen die een duurzame ontwikkelingsbasis zouden kunnen scheppen: o.m. landbouw, agroforestry, ecotoerisme en kerninstituten (onderwijs, research, traditionele kennis en volksgezondheid) die voorwaarden moeten scheppen via brede participatie van de bevolking.

Deze regering (net als voorgaande regeringen) gaat met haar Local Content Beleid uit van een omgekeerde redenering: in lijn met de behoefte van de offshore-oliemultinationals wordt Local Content beschikbaar gemaakt, in plaats van een omvattend Surinaams ontwikkelingsplan te maken waarin Suriname met natuur, milieu en mens centraal staat.

Conclusie: ‘Local Content’ – van meet af aan verbonden met internationale bigbusiness-energie- en mijnbouwactiviteiten – is thans dienstbaar aan multinationals die de winning van offshore-olie ten koste laten gaan van ‘Local Development’ vanuit een duurzaam perspectief van de  samenleving.

Jack Menke

Deel 1: Offshore-olie en ‘oliedomheid’: Suriname op pad naar schijnwelvaart (1)