In het eerste deel stonden wij stil bij de rol van taal in de politiek. Daar zagen wij hoe woorden verwachtingen kunnen scheppen, emoties kunnen oproepen en soms zelfs een eigen werkelijkheid lijken te creëren. Maar de politicus staat niet alleen. Ook buiten de arena van de politiek wordt de werkelijkheid dagelijks gevormd door woorden. Misschien minder zichtbaar, misschien minder luidruchtig, maar daarom niet minder invloedrijk.

Advocaten kennen dezelfde kracht van taal. In de rechtszaal worden feiten niet alleen gepresenteerd; zij worden beschreven, gekaderd en geïnterpreteerd. Het verschil tussen schuld en onschuld, tussen aansprakelijkheid en vrijwaring, schuilt soms in de betekenis die aan woorden wordt gegeven. De feiten veranderen niet, maar de woorden waarmee zij worden beschreven, kunnen bepalen hoe wij die feiten begrijpen.

Ook journalisten weten dat taal macht heeft. Een demonstratie kan worden omschreven als een uiting van burgerlijke betrokkenheid of als een verstoring van de openbare orde. Een economische maatregel kan worden gepresenteerd als een noodzakelijke hervorming of als een aanval op verworven rechten. De gebeurtenis blijft dezelfde, maar de gekozen woorden sturen de interpretatie. Dat alles lijkt vooral iets te zeggen over politici, advocaten, journalisten en andere beroepsgroepen die dagelijks met taal werken.

Maar daarmee maken wij het onszelf te gemakkelijk. Want terwijl ik dit schrijf, gebruik ik zelf taal. Ik kies woorden. Ik selecteer voorbeelden. Ik bepaal welke vragen ik stel en welke ik onbesproken laat. Ook ik probeer iets over te brengen. Ook ik probeer te overtuigen. Ook ik stuur. Misschien doet iedere schrijver dat. Misschien doet ieder mens dat.

Want telkens wanneer wij spreken, kiezen wij woorden waarvan wij hopen dat zij bij een ander een bepaalde gedachte, een bepaald gevoel of een bepaald inzicht oproepen. Zelfs wanneer wij denken slechts feiten te beschrijven, kiezen wij al een perspectief van waaruit die feiten worden bekeken.

Dat brengt mij bij een ongemakkelijke vraag. Als taal zo krachtig is dat zij groepen kan sturen, hoe weet u dan dat ik dat niet doe? Misschien vertrouwt u mij omdat mijn woorden logisch klinken. Misschien omdat u zich herkent in wat ik schrijf. Misschien omdat mijn voorbeelden aansluiten bij uw eigen ervaringen. Maar zijn dat goede redenen? Of zijn dat precies de mechanismen waardoor taal invloed krijgt?

Socrates, de filosoof die meer vragen stelde dan antwoorden gaf, zou ons waarschijnlijk waarschuwen voor een al te groot vertrouwen in woorden. Niet omdat taal waardeloos is, maar omdat taal ons voortdurend de illusie geeft dat wij begrijpen wat wij misschien nog helemaal niet begrijpen.

Misschien ligt de grootste macht van taal niet in de woorden die worden uitgesproken, maar in de woorden die wij zonder nadenken geloven. En misschien begint werkelijk denken op het moment dat wij ons afvragen waarom bepaalde woorden ons overtuigen en andere niet.

Dat is geen vraag voor politici.
Dat is geen vraag voor advocaten.
Dat is geen vraag voor journalisten.
Dat is een vraag voor ieder van ons.

Want zolang wij geloven dat alleen anderen door taal worden beïnvloed, blijven wij blind voor de invloed die taal op onszelf uitoefent. En wie niet beseft dat hij gestuurd kan worden, is waarschijnlijk het gemakkelijkst te sturen.

Ismaël Kalaykhan