De regering zal zich op korte termijn moeten buigen over de toekomst van de brandstofsubsidie. Minister Adelien Wijnerman van Financiën en Planning zei vrijdag tijdens de begrotingsbehandeling dat een geleidelijke afbouw van de tijdelijke prijscap op brandstof vanuit het oogpunt van gezonde overheidsfinanciën verstandiger is dan een abrupte afschaffing. Diverse Assembleeleden hadden vragen gesteld over deze kwestie.  

Wijnerman bracht in herinnering dat de regering op 18 maart besloten heeft een tijdelijke prijscap toe te passen om de samenleving te beschermen tegen de stijging van de internationale olieprijzen. De pompprijs werd vastgesteld op SRD 53,27 voor diesel en SRD 48,32 voor unleaded. Zonder deze maatregel zou diesel volgens de minister rond SRD 64 kosten en unleaded ongeveer SRD 62. Het verschil wordt door de overheid gedragen via lagere inkomsten uit de government take. Wijnerman zei dat de staat hierdoor inkomsten misloopt en dat het netto-effect bij aanhoudend hoge brandstofprijzen verder kan verslechteren.

De minister benadrukte dat bij een besluit over de subsidie rekening moet worden gehouden met de internationale olieprijzen, de wisselkoers, de beschikbare begrotingsruimte en de sociaal-economische gevolgen voor huishoudens en bedrijven. Een gefaseerde afbouw biedt volgens haar ruimte om de druk op de begroting te verminderen en tegelijk kwetsbare groepen gerichter te ondersteunen.

Wijnerman gaf aan dat een algemene subsidie ook terechtkomt bij huishoudens en bedrijven die deze steun minder nodig hebben. Daarom kan volgens haar worden gekozen voor gerichte sociale ondersteuning in plaats van een brede brandstofsubsidie.

Volgens de minister zijn er momenteel geen achterstallige betalingen aan oliemaatschappijen bij het ministerie van Financiën & Planning. Eventuele achterstanden bij vakministeries moeten volgens haar nog met het ministerie worden gedeeld.