Minister Harish Monorath in gesprek met journalisten. (Foto's: René Gompers)
Minister Harish Monorath van Justitie en Politie benadrukt dat ambtenaren volgens de wet geen nevenberoepen mogen uitoefenen, maar dat in de praktijk een gedoogbeleid wordt gevoerd “zodat mensen in hun levensonderhoud kunnen voorzien”. Hij wijst erop dat jaarlijks ruim 300 personen de dienst verlaten om elders, vaak in het buitenland, te gaan werken waar de beloning aanzienlijk hoger ligt.

Maandag zijn in het Politie Opleidingscentrum 205 rekruten bevorderd tot buitengewoon agent van politie (BAVP). Monorath merkt tegenover journalisten op dat het ideale aantal politieagenten rond de 5.000 zou moeten liggen om optimaal te kunnen opereren. Momenteel telt het korps ruim 2.700 manschappen.


Volgens de minister kunnen er jaarlijks slechts ongeveer 300 nieuwe krachten worden aangetrokken, terwijl maandelijks 20 tot 30 personeelsleden het korps verlaten, op zoek naar betere werkomstandigheden en beloning, vaak buiten de landsgrenzen. Een bekend signaal dat iemand het korps gaat verlaten, is wanneer betrokkene “buiten bezwaar” verlof aanvraagt.

Op vragen of Jean ‘Saya’ Mixon – die hij eerder als een van zijn vier adviseurs had betiteld – beveiliging van politieambtenaren genoot of zal genieten, antwoordt Monorath: “Daar is niets van waar.” Hij voegt eraan toe dat ambtenaren in de praktijk wel ruimte zoeken voor extra inkomsten. “Wat mensen in hun vrije tijd doen, daar kan ik niets over zeggen”, aldus de minister. “De mensen werken in ploegendienst. Om in hun levensonderhoud te voorzien, hebben velen meerdere banen. Sommigen verrichten in hun vrije tijd beveiligingswerk, bijvoorbeeld bij goudbedrijven. Anderen gaan naar het binnenland om extra te verdienen.”

Een veelgehoorde klacht is dat politiemensen en militairen in hun vrije tijd optreden als beveiligers voor derden, met name in het binnenland, wat wordt gezien als een mogelijk belangenconflict voor de veiligheidsinstituten. Monorath merkt op dat de grens van wat precies onder “vrije tijd” valt, niet altijd duidelijk is. Wel stelt hij dat er hard zal worden opgetreden wanneer blijkt dat ambtenaren tijdens diensttijd andere werkzaamheden uitvoeren dan hun officiële taken.