De Dag van de Revolutie in Suriname, ook bekend als de Dag van Bevrijding en Vernieuwing, wordt jaarlijks op 25 februari herdacht. Het besluit van president Jennifer Simons om 25 februari niet langer als een nationale vrije dag aan te merken is een wijs besluit. Het kan worden gezien als een eerste voorzichtige maar betekenisvolle stap om deze beladen datum definitief te ontdoen van elke vorm van verheerlijking. De verheerlijking van 25 februari 1980 is onacceptabel.

Op die dag werd de democratisch gekozen regering met geweld afgezet tijdens de Sergeantencoup, onder leiding van Desi Bouterse. Wat daarna volgde was geen periode van nationale verheffing, maar van angst, repressie en institutionele ontwrichting. Voor een groot deel van de samenleving staat 25 februari 1980, symbool voor de vernietiging van de democratische rechtsorde.

De erfenis van 25 februari 1980 is er een van institutionele verloedering, geweld en morele ontwrichting. Door deze dag niet langer nationaal te markeren, wordt het signaal afgegeven dat dit verleden niet langer wordt gelegitimeerd. Het terreurbewind onder leiding van Bouterse heeft Suriname zowel letterlijk als figuurlijk ontwricht.

De littekens van deze periode zijn nog zichtbaar in zwakke instituties en broos vertrouwen in de rechtsstaat. Wat als “revolutie” werd gepresenteerd, was in werkelijkheid een brute breuk met de democratie. De omwenteling werd gekenmerkt door schrikbewind, grove mensenrechtenschendingen, politieke moorden en gruweldaden. 

Tegenstanders werden geïntimideerd of het zwijgen opgelegd. Families raakten verscheurd en burgers verloren hun fundamentele bescherming. Een militaire staatsgreep vernietigt immers niet alleen een regering, maar ondermijnt vooral het vertrouwen van burgers in recht en rechtvaardigheid.

Uit deze periode ontstond in 1987 de Nationale Democratische Partij (NDP). Het blijft een historische paradox dat een partij met wortels in een gewelddadige staatsgreep zich “democratisch” noemt. Democratie ontstaat niet uit de loop van een geweer, maar uit vrije verkiezingen, rechtsstatelijke instituties en respect voor fundamentele vrijheden.

De kerstcoup van 1990 bevestigde opnieuw hoe fragiel de democratie was. Wederom werd de constitutionele orde ruw opzijgeschoven. Het signaal aan de samenleving was duidelijk. Macht kon nog steeds met geweld worden afgedwongen en straffeloosheid werd genormaliseerd. Die cultuur van straffeloosheid werkt tot op heden door in tal van pijnlijke dossiers.

Zolang deze geschiedenis niet ondubbelzinnig wordt afgewezen, blijft zij als een schaduw over onze democratie hangen. Daarom is het bestaan van het monument van de zogenoemde Revolutie voor velen geen symbool van trots, maar van pijn en onrecht. Een samenleving kan geen eerbetoon blijven brengen aan een periode waarin de rechtsstaat werd vertrapt.

Het monument van de zogenoemde revolutie zou kunnen worden getransformeerd tot een krachtig symbool van recht en veiligheid, bijvoorbeeld door de vestiging van een modern politiebureau. Verplaatsing van het monument naar Ocer, de ‘berm’, zou een alternatief kunnen zijn. Hoogstens kan 25 februari 1980 een dag zijn van herinnering, reflectie en waarschuwing. Het verheerlijken van een staatsgreep impliceert dat geweld een legitiem politiek middel is, en dat mogen wij nooit accepteren.

De Nationale Democratische Partij (NDP) gebruikt de leus “W’o kenki a systeem” terwijl de Nationale Partij Suriname (NPS) spreekt over “A Nyun Pasi” en Bronto Somohardjo praat van “halal politiek”. Alle slogans appelleren aan vernieuwing en verandering maar alle drie partijen “las a pasi keba”. Deze politieke partijen hebben hun beloofde weg al bewandeld en de uitkomst is heel teleurstellend.

Idris Naipal