Tijdens de ‘Guyana Energy Conference 2026’ werd niet alleen de spectaculaire groei van Guyana belicht, maar werd ook gesproken over nauwere energiesamenwerking met Suriname. Wat wordt gepresenteerd als logische regionale integratie, roept tegelijk een fundamentelere vraag op: versterkt deze ontwikkeling beide landen, of ontstaan er nieuwe afhankelijkheden?

Voor Suriname is deze discussie geen abstracte geopolitieke exercitie, maar een concrete beleidsvraag in een periode waarin de eigen offshore-ontwikkeling zich in een beslissende fase bevindt. Tijdens verschillende paneldiscussies werd gewezen op mogelijkheden voor regionale gassamenwerking en gedeelde infrastructuur in het Guyana-Suriname-bekken. Ideeën over schaalvoordelen, gezamenlijke pijpleidingen en energie-uitwisseling worden naar voren geschoven als rationele vervolgstappen in een regio waar offshore-ontwikkeling in hoog tempo plaatsvindt. In theorie kan samenwerking investeringskosten drukken, technische risico’s spreiden en de internationale onderhandelingspositie versterken.

Toch is samenwerking binnen de energiesector nooit louter technisch. De onderliggende machtsverhoudingen spelen een doorslaggevende rol. Guyana produceert inmiddels circa 900.000 vaten olie per dag en beschikt over meer dan 11 miljard vaten aan aangetoonde reserves. De economische groei in de eerste productiejaren was uitzonderlijk hoog. Suriname bevindt zich daarentegen nog in een eerdere ontwikkelingsfase, met het ‘GranMorgu-project’ in Blok 58 als belangrijkste offshore-project. Dat verschil in schaal kan zich vertalen in een verschil in onderhandelingspositie wanneer regionale energie-architectuur wordt vormgegeven.

Guyana wordt internationaal gepresenteerd als een voorbeeld van snelle economische transformatie. Dat beeld is gebaseerd op reële cijfers: stijgende productie, groeiende staatsinkomsten en grootschalige investeringen in infrastructuur. Tegelijkertijd klinkt er binnen Guyana zelf kritiek op de contractstructuur en de verdeling van opbrengsten. De discussie over ‘cost recovery’, waarbij bedrijven hun investeringen eerst terugverdienen voordat de winstdeling volledig op gang komt, laat zien dat sterke macro-economische prestaties niet automatisch gelijkstaan aan brede maatschappelijke welvaart.

Voor Suriname is juist die nuance relevant. De ervaringen van Guyana laten zien dat hoge groeicijfers niet vanzelf leiden tot brede inkomensgroei, sterke lokale bedrijvigheid of prijsstabiliteit. De ‘Production Sharing Contracts’ (PSCs) en de mogelijke participatie van Staatsolie bepalen in hoge mate hoe toekomstige inkomsten worden verdeeld en geïnvesteerd. Regionale samenwerking verandert niets aan die fundamentele vraag. Zij kan voordelen opleveren, maar ook leiden tot structurele verwevenheid indien contractuele waarborgen en institutionele ‘checks and balances’ onvoldoende zijn uitgewerkt.

Het idee dat Suriname gas uit Guyana zou kunnen inkopen of dat infrastructuur gezamenlijk wordt ontwikkeld, wordt vaak omschreven als pragmatisch. Schaalvergroting kan projecten rendabeler maken en energietarieven stabiliseren. Voor een land met structurele energie-uitdagingen en hoge elektriciteitskosten is dat op het eerste gezicht aantrekkelijk. Tegelijkertijd vereist dit een zorgvuldige afweging van energiezekerheid, beleidsruimte en strategische autonomie. Wanneer kritieke infrastructuur of leveringsstromen grensoverschrijdend worden georganiseerd, verschuift ook de focus van besluitvorming.

Daarnaast is de sociaaleconomische impact van snelle energie-ontwikkeling een aandachtspunt. In Guyana is gewezen op stijgende kosten van levensonderhoud en druk op arbeidsmarkten als gevolg van grootschalige investeringen, zoals blijkt uit openbare milieueffectrapportages rond grote offshore-projecten. Dergelijke effecten zijn niet uitzonderlijk in grondstoffenbooms. Zonder doelgericht beleid kunnen zij bestaande ongelijkheden versterken.

Voor Suriname, waar koopkracht en werkgelegenheid al jaren onder druk staan, is het cruciaal dat toekomstige olie- en gasopbrengsten niet alleen macro-economische stabiliteit brengen, maar ook voelbare verbetering op huishoudniveau. ‘Local content’ vormt in dit verband een cruciaal element. Zowel Guyana als Suriname streven ernaar dat nationale bedrijven en werknemers profiteren van offshore-activiteiten. In de praktijk blijkt dat internationale olieprojecten hoge eisen stellen aan certificering, kapitaal en technische capaciteit. Internationale ervaringen met grondstoffenontwikkeling laten zien dat zonder actieve ondersteuning en duidelijke randvoorwaarden een aanzienlijk deel van de economische waarde buiten de nationale economie kan blijven.

De recente conferentie markeert daarmee niet alleen een moment van regionale toenadering, maar ook een periode waarin strategische keuzes worden geconsolideerd. Olie- en gasontwikkeling kan bijdragen aan macro-economische stabiliteit, schuldafbouw en investeringen in publieke voorzieningen. Maar de uiteindelijke maatschappelijke opbrengst wordt niet bepaald door de omvang van de reserves, maar door de kwaliteit van beleid, toezicht en onderhandelingskracht.

Regionale samenwerking kan een middel zijn om onderhandelingsmacht te vergroten en technologische kennis te delen. Zij kan echter ook nieuwe afhankelijkheidsrelaties creëren wanneer de asymmetrie in schaal en invloed onvoldoende wordt geadresseerd. Het onderscheid tussen partnerschap en afhankelijkheid ligt vaak in de details van contracten, toezichtmechanismen en beleidscoördinatie.

De vraag voor Suriname is daarom niet óf samenwerking wenselijk is, maar onder welke voorwaarden zij plaatsvindt. Wordt regionale energie-integratie een instrument voor wederzijdse versterking, of groeit zij uit tot een structuur waarin één partij structureel de agenda bepaalt? Het antwoord zal niet worden gevonden in conferentiezalen, maar in de wijze waarop afspraken worden vastgelegd, gecontroleerd en maatschappelijk ingebed.

Vincent Roep