Suriname staat opnieuw op een breuklijn. Niet omdat rechters of de procureur-generaal per definitie ‘te veel’ zouden mogen verdienen, maar omdat de wijze waarop dit besluit tot stand is gekomen het publieke vertrouwen in de rechtsstaat ondermijnt.

Wanneer een nieuwe bezoldigingsreeks voor de rechterlijke macht wordt vastgesteld op 14 juli 2025 — vlak vóór een machtsoverdracht — en vervolgens met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2024 wordt toegepast, dan creëer je geen rechtszekerheid. Dan creëer je wantrouwen. Terugwerkende kracht in combinatie met politieke timing is bestuurlijk explosief, zeker in een samenleving waar institutioneel vertrouwen al jarenlang onder druk staat.

De kern van deze kwestie is niet alleen het bedrag. De kern is de timing. De beslotenheid. Het gevoel dat de uitvoerende macht en delen van de rechterlijke macht in een gesloten circuit opereren. In een land waar burgers al jaren signalen zien van corruptie, onbehandelde aangiften en selectieve verontwaardiging, is perceptie bijna net zo belangrijk als juridische juistheid. Rechtsstatelijke legitimiteit rust immers niet uitsluitend op formele bevoegdheden, maar op publieke geloofwaardigheid.

En dan die salarisstrook. Indien het klopt dat de procureur-generaal uitkomt op ruim SRD 1,4 miljoen bruto en ruim SRD 1 miljoen netto per maand, dan is het begrijpelijk dat de samenleving zich afvraagt: welke prestatie rechtvaardigt dit, terwijl ziekenhuizen, scholen en koopkracht onder zware druk staan? In een economie waar brede lagen van de bevolking dagelijks worstelen met inflatie en afnemende koopkracht, is proportionaliteit geen detail — het is een morele voorwaarde.
Een internationale vergelijking maakt duidelijk waarom de discussie zo fel is. Onderstaande cijfers zijn gebaseerd op publiek gerapporteerde bedragen en een wisselkoers van 1 euro = 40 SRD.


Deze cijfers laten zien dat Suriname, op basis van gepubliceerde bedragen, zijn hoogste justitiële functionaris beloont op een niveau dat aanzienlijk hoger ligt dan vergelijkbare functies in Nederland en zelfs de Verenigde Staten. Dat roept onvermijdelijk vragen op over proportionaliteit en draagkracht. Een rechtsstaat kan sterke instituties hebben, maar zonder maatschappelijk draagvlak verliest zij haar legitimiteit.

Is dit strafbaar? Niet automatisch. Het enkele feit dat een regering kort voor een machtsoverdracht een besluit neemt, maakt dat besluit niet per definitie onrechtmatig. Maar bestuurlijke verdedigbaarheid vereist volledige transparantie: duidelijke bevoegdheden, heldere motivering, budgettaire onderbouwing en aantoonbare integriteitstoetsing. Wanneer terugwerkende kracht wordt toegepast bij een besluit met aanzienlijke financiële gevolgen, dan moet de rechtvaardiging daarvan juridisch robuust en controleerbaar zijn.

Wat burgers nu zien, zijn geen uitgebreide verantwoordingsdocumenten, maar lekken en salarisstroken die plots opduiken. Dat voedt het vermoeden van een gesloten systeem waarin machten elkaar beschermen in plaats van controleren. En in een fragiele democratie is dat dodelijk.

De opdracht aan het nieuwe bestuur is daarom helder: geen politieke retoriek, maar een onafhankelijk onderzoek. Bestuursrechtelijk én strafrechtelijk waar nodig. Laat staatsrechtjuristen toetsen of de volmacht constructie en de terugwerkende kracht juridisch zuiver waren. Laat financieel-forensische experts nagaan of er sprake is van wederrechtelijke bevoordeling of ambtsmisdrijven zoals misbruik van gezag of knevelarij. Transparantie is geen aanval op de rechterlijke macht — transparantie is haar bescherming.

Positie pg
De positie van de procureur-generaal (pg) staat bovendien onder druk. Haar eerdere betrokkenheid bij het kabinet van de president en publieke interacties waarbij werd gesuggereerd dat opdrachten aan het Openbaar Ministerie werden verstrekt of dat vervolgingsacties voorspelbaar waren, hebben de schijn van politieke nabijheid versterkt. In een rechtsstaat is perceptie geen detail. Onafhankelijkheid moet niet alleen bestaan, zij moet ook zichtbaar en overtuigend zijn.

De vraag die nu centraal staat is zowel juridisch als constitutioneel: kan de pg, gegeven het huidige maatschappelijke wantrouwen, haar functie nog uitoefenen zonder dat elke beslissing onder verdenking komt te staan? In sommige situaties kan vrijwillig terugtreden meer bijdragen aan institutionele stabiliteit dan vasthouden aan een formele positie.
Indien zij daartoe niet besluit, rust er een zware verantwoordelijkheid op de regering en De Nationale Assemblee. Het herstellen van vertrouwen vereist actieve institutionele stappen: onderzoek, transparantie en — indien nodig — constitutionele maatregelen.

Als dit niet wordt onderzocht, dan wordt wantrouwen geïnstitutionaliseerd. En in een kwetsbare democratie is dat het werkelijke gevaar: niet het salaris alleen, maar het verlies van legitimiteit.

Rodney Cairo