In de afgelopen periode heeft de discussie rondom de Wet In Staat van Beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers (WIPA) de samenleving intensief beziggehouden. Ofschoon kerk en staat in een democratische rechtsstaat strikt van elkaar zijn gescheiden, wordt in het maatschappelijk verkeer nog regelmatig de uitdrukking gebruikt dat “de kogel door de kerk is”. Daarmee wordt bedoeld dat na een periode van discussie en verdeeldheid uiteindelijk een beslissing is genomen. In die betekenis kan worden gesteld dat de kogel door de kerk is gegaan nu De Nationale Assemblée heeft ingestemd met het verzoek van de procureur-generaal in het kader van de WIPA.

Vrijwel geen aandacht is echter besteed aan een andere vraag: welke invloed heeft een bijzondere constitutionele beschermingsconstructie op de wijze waarop politieke ambtsdragers verantwoordelijkheid, risico en verantwoording beleven?

De WIPA als psychologische beschermingsconstructie

In het publieke debat wordt corruptie vaak uitsluitend benaderd als een moreel of juridisch probleem. Psychologen en gedragswetenschappers kijken doorgaans breder. Zij onderzoeken niet alleen het gedrag van individuen, maar ook de invloed van de omgeving waarin dat gedrag plaatsvindt.

Voorop moet worden gesteld dat de WIPA geen corruptie veroorzaakt en politieke ambtsdragers evenmin aanzet tot strafbaar handelen. Een dergelijke conclusie zou onjuist zijn. De meeste politieke ambtsdragers vervullen hun functie naar eer en geweten en binnen de grenzen van de wet. Dat neemt niet weg dat de WIPA een bijzondere procedurele bescherming creëert die gewone burgers niet kennen. Voordat een rechter zich over een zaak kan uitspreken, moet eerst een politieke procedure worden doorlopen. Daarmee ontstaat een extra institutionele laag tussen mogelijk normoverschrijdend handelen en rechterlijke toetsing.

De vraag is niet of politieke ambtsdragers daardoor bewust corrupt handelen. De vraag is of een dergelijke beschermingsconstructie onbedoeld invloed kan hebben op de wijze waarop verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid en risico worden beleefd.

Vanuit de psychologie is bekend dat mensen niet uitsluitend reageren op feitelijke risico’s, maar vooral op de wijze waarop die risico’s door het brein worden waargenomen. Juist daarom kunnen institutionele beschermingsconstructies gedrag beïnvloeden zonder dat betrokkenen zich daarvan bewust zijn.

Naarmate de afstand tussen een handeling en de mogelijke consequenties groter wordt ervaren, neemt doorgaans ook het gevoel van directe verantwoordelijkheid af. Dat proces verloopt meestal onbewust. Mensen denken niet bewust: “Ik kan hiermee wegkomen.” Veel vaker verschuiven normen geleidelijk. Wat aanvankelijk als ongewenst of risicovol wordt ervaren, kan na verloop van tijd als minder problematisch worden gezien.

Een bekend verschijnsel binnen de gedragswetenschappen is bovendien dat mensen meer risico’s durven nemen wanneer zij zich beschermd voelen tegen de mogelijke gevolgen van hun handelen. Niet omdat zij bewust de regels willen overtreden, maar omdat de ervaren kans op negatieve consequenties kleiner wordt.

Juist daarin schuilt de psychologische betekenis van beschermingsconstructies. Wanneer een systeem de indruk wekt dat tussen handelen en verantwoording meerdere barrières bestaan, kan het brein die situatie interpreteren als een verminderd risico. Niet omdat de juridische werkelijkheid verandert, maar omdat de psychologische beleving van verantwoordelijkheid verandert.

Tijd voor een bredere beoordeling

De discussie over de WIPA is tot nu toe vrijwel uitsluitend gevoerd vanuit juridisch en staatsrechtelijk perspectief. Dat zijn belangrijke invalshoeken, maar zij vormen niet het volledige verhaal. Wetgeving heeft niet alleen juridische gevolgen. Zij beïnvloedt ook de wijze waarop mensen risico’s inschatten, verantwoordelijkheid ervaren en hun gedrag afstemmen op de omgeving waarin zij functioneren. Juist daarom verdient de WIPA ook een beoordeling vanuit psychologisch en bestuurskundig perspectief.

Een wet die bescherming biedt tegen politiek gemotiveerde vervolging kan tegelijkertijd onbedoelde gedragseffecten hebben. Niet doordat zij corruptie veroorzaakt, maar doordat zij invloed kan uitoefenen op de wijze waarop bestuurders de afstand ervaren tussen hun handelen en mogelijke consequenties.

Tegen die achtergrond rijst de vraag of artikel 140 van de Grondwet en de daarop gebaseerde WIPA nog volledig aansluiten bij de eisen van een moderne democratische rechtsstaat.

Misschien ligt juist daarin de belangrijkste conclusie van dit debat. De WIPA moet niet uitsluitend juridisch en staatsrechtelijk worden beoordeeld, maar ook op haar mogelijke psychologische effecten. Indien een wettelijke beschermingsconstructie onbedoeld invloed kan uitoefenen op de beleving van verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, dan is een fundamentele heroverweging van artikel 140 van de Grondwet en de WIPA niet alleen verdedigbaar, maar wellicht zelfs noodzakelijk.

Headly R. Binderhagel