Ingrid Karta-Bink, voorzitter van de commissie van rapporteurs
De behandeling van de initiatiefwet Ontneming Wederrechtelijk Verkregen Voordeel, beter bekend als de 'Kaalplukwet', is donderdag in De Nationale Assemblee begonnen met brede steun voor de doelstelling om criminelen hun illegaal verkregen vermogen te ontnemen. Tijdens de eerste ronde van de commissie van rapporteurs onderschreven de woordvoerders het belang van de wet in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit, corruptie en witwassen, maar vroegen zij tegelijkertijd om verduidelijking over onder meer de rechtsbescherming, de bewijslast, de uitvoeringscapaciteit en de aansluiting op bestaande wetgeving. De behandeling wordt volgende week voortgezet.

Als voorzitter van de commissie van rapporteurs lichtte Ingrid Karta-Bink (NDP) het commissieverslag toe. Zij benadrukte dat het uitgangspunt van de initiatiefwet is dat misdaad niet mag lonen en dat wederrechtelijk verkregen vermogen moet kunnen worden afgepakt, ongeacht waar dit zich bevindt. Zij wees erop dat de commissie adviezen heeft ingewonnen bij onder meer het Hof van Justitie, het Openbaar Ministerie, de Centrale Bank van Suriname, de Vereniging Surinaams Bedrijfsleven en andere deskundige instanties. Hoewel het Hof en het Openbaar Ministerie (OM) een voorkeur uitspraken voor opname van de regeling in een integrale herziening van het strafrecht, is gekozen voor een afzonderlijke bijzondere wet, zodat Suriname sneller kan beschikken over een modern instrument om crimineel vermogen te ontnemen.

Krishna Mathoera (VHP) stelde dat de bestrijding van georganiseerde criminaliteit noodzakelijk is, maar dat de rechtsstaat daarbij steeds centraal moet blijven staan. Zij vroeg de initiatiefnemers uiteen te zetten hoe de nieuwe wet zich verhoudt tot de bestaande bepalingen in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast vroeg zij aandacht voor de omgekeerde bewijslast, de bevoegdheden van het OM, de bescherming van derden en de vraag of politie, justitie en de rechterlijke macht over voldoende capaciteit beschikken om complexe financiële onderzoeken uit te voeren. Ook wees zij op de noodzaak om moderne vermogensvormen, zoals cryptovaluta, effectief te kunnen onderzoeken.

Jennifer Vreedzaam (NDP) benadrukte dat de wet zorgvuldig moet worden toegepast en dat de bescherming van fundamentele rechten steeds gewaarborgd moet blijven. Volgens haar mag een ontnemingsmaatregel niet ontaarden in een extra straf, maar moet deze uitsluitend dienen om illegaal verkregen voordeel af te pakken. Zij vroeg onder meer aandacht voor de rol van de rechter-commissaris, de uitvoeringscapaciteit van het OM en de rechterlijke macht en de noodzaak van duidelijke procedures om willekeur te voorkomen.

Ronny Asabina (BEP) noemde de initiatiefwet een belangrijk instrument tegen georganiseerde criminaliteit, maar waarschuwde dat fundamentele rechten niet onder druk mogen komen te staan. Hij plaatste vraagtekens bij de omkering van de bewijslast en vroeg aandacht voor de rechtspositie van derden, zoals familieleden en zakenpartners die onbedoeld met een onderzoek kunnen worden geconfronteerd. Daarnaast pleitte hij voor voldoende specialistische kennis binnen politie en justitie en vroeg hij aandacht voor de positie van inheemse en tribale gemeenschappen, zodat beslaglegging niet leidt tot problemen rond traditionele grondenrechten.

Cheryll Dijksteel (VHP) legde de nadruk op de internationale verplichtingen van Suriname op het gebied van witwasbestrijding en terrorismefinanciering. Volgens haar is het belangrijk dat de wet aansluit op internationale standaarden, maar tegelijkertijd goed wordt afgestemd op de bestaande nationale wetgeving. Zij vroeg aandacht voor mogelijke overlap met bepalingen in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en pleitte ervoor de wet na enkele jaren te evalueren op effectiviteit en uitvoerbaarheid.

Steven Reyme (A20) stelde dat een gevangenisstraf alleen onvoldoende is wanneer criminelen na afloop van hun straf nog steeds kunnen beschikken over illegaal verkregen vermogen. Volgens hem brengt de initiatiefwet bestaande bepalingen overzichtelijker bijeen en sluit zij beter aan op moderne vormen van financiële criminaliteit. Reyme sprak waardering uit voor de initiatiefnemers, die volgens hem adviezen van verschillende deskundige instanties hebben verwerkt. Tegelijkertijd wees hij erop dat de wet alleen succesvol kan zijn wanneer ook de uitvoerende instanties beschikken over voldoende financiële rechercheurs, gespecialiseerde officieren van justitie, deskundige rechters en moderne onderzoeksmiddelen. Daarnaast pleitte hij voor betere bescherming van klokkenluiders.

Rossellie Cotino, eveneens lid van de commissie van rapporteurs, voerde tijdens deze vergadering niet het woord.

Na afronding van de bijdragen van de commissieleden kreeg Asis Gajadien (VHP) als eerste lid buiten de commissie het woord. Hij maakte duidelijk dat ook zijn fractie het uitgangspunt onderschrijft dat wederrechtelijk verkregen vermogen moet worden afgepakt. Volgens Gajadien ligt de grootste uitdaging echter niet alleen in nieuwe wetgeving, maar vooral in de uitvoeringspraktijk. Hij vroeg zich af welk probleem de initiatiefwet oplost dat niet al met de bestaande wetgeving kan worden aangepakt en wees op de noodzaak van sterke instituties, een goed functionerende Belastingdienst, de Financial Intelligence Unit (FIU) en een betere samenwerking tussen de verschillende opsporingsinstanties. Zonder die randvoorwaarden dreigt de wet volgens hem in de praktijk minder effectief te zijn.

De initiatiefwet werd op 10 december 2025 ingediend door Ebu Jones (NDP) en Ivanildo Plein (NPS).