Waart de geest van Nederland nog steeds door Suriname?

Suriname is inmiddels ruim vijftig jaar een onafhankelijke republiek. Men zou kunnen veronderstellen dat ons land zich in alle opzichten heeft losgemaakt van de Nederlandse bestuurstraditie. Toch is niets minder waar. Op tal van terreinen zijn nog steeds sporen zichtbaar van het koloniale verleden. Niet alleen in wetgeving en bestuurlijke structuren, maar ook in symbolen, staatsrituelen, aanspreektitels, ambtskleding en zelfs in het straatnamenbeleid.

Dat is op zichzelf niet vreemd. Politieke onafhankelijkheid betekent niet automatisch dat ook de bestuurscultuur direct verandert. Tradities verdwijnen met de tijd. Sommige behouden hun waarde, andere verliezen geleidelijk hun betekenis. Juist nu Suriname ruim een halve eeuw onafhankelijk is, lijkt het een goed moment om de vraag te stellen welke koloniale tradities nog steeds bijdragen aan onze nationale identiteit en welke beter kunnen worden aangepast aan onze huidige democratische samenleving.

Soms lijkt het alsof de geest van het Nederlandse koloniale bestuur nog altijd door Suriname waart. Dat vormt een interessant onderwerp voor historici, journalisten en bestuurskundigen.

Bestuurscultuur verandert langzaam
Symbolen geven herkenbaarheid aan het openbaar bestuur en vormen een verbinding tussen verleden en heden. Daarom verdient voorzichtigheid de voorkeur boven rigoureuze veranderingen. Tegelijkertijd mogen wij ons afvragen of bepaalde symbolen nog aansluiten bij de wijze waarop een moderne republiek zich wil presenteren. Onafhankelijkheid is meer dan een eigen vlag, volkslied en grondwet. Zij vraagt uiteindelijk ook om een eigen bestuurlijke identiteit.

Afstand tussen bestuurders en burgers
Allereerst het gebruik van hoogdravende aanspreektitels voor politieke ambtsdragers. Presidenten worden aangesproken als "Zijne Excellentie" of "Hare Excellentie". Ministers zijn "Excellent". Ook andere functionarissen worden regelmatig omgeven door ceremonieel taalgebruik dat rechtstreeks teruggaat op koloniale bestuursgebruiken, die in Nederland inmiddels vrijwel zijn verdwenen.

De vraag is of dergelijke titulatuur nog past binnen een moderne democratische rechtsstaat. Een president is geen monarch. Een minister is geen edelman. Een parlementariër is geen hoogwaardigheidsbekleder die boven de bevolking staat. Allen vervullen tijdelijk een openbaar ambt dat hun door de samenleving is toevertrouwd. Hun gezag ontlenen zij niet aan een aanspreektitel, maar aan het vertrouwen van de burger.

Daarom klinkt "mevrouw de president" misschien wel democratischer dan "Hare Excellentie". Evenzeer volstaan aanduidingen als minister, parlementslid of districtscommissaris.

Uniform districtscommissaris
Opvallender is misschien de ambtskleding van de districtscommissaris. Onlangs verscheen op sociale media een groepsfoto van districtscommissarissen, allen gekleed in het bekende hagelwitte ceremoniële uniform met de karakteristieke pet. Bij het zien van deze foto gingen mijn gedachten terug naar de koloniale tijd. Destijds droegen de districtscommissarissen vrijwel hetzelfde uniform. Zij vertegenwoordigden het strenge koloniale bestuur in de districten en waren het zichtbare gezicht van het gouvernement.

Het huidige uniform is vrijwel ongewijzigd gebleven. Alleen de dragers van het uniform vertegenwoordigen tegenwoordig een zelfstandig Suriname in plaats van het koloniale bestuur. Dat is op zichzelf niet verkeerd. Ook andere landen kennen ceremoniële ambtskleding. Toch roept dit de vraag op of juist dit koloniale symbool nog steeds het beeld uitstraalt dat Suriname vandaag van zijn openbaar bestuur wil geven.

Wanneer de overheid tegelijkertijd zegt transparant te willen zijn en dicht bij de burger te staan, kan een sterk hiërarchisch ceremonieel uniform juist het tegenovergestelde gevoel oproepen: niet nabijheid, maar afstand.

Ook in De Nationale Assemblée leeft een koloniale bestuursstijl voort. Parlementariërs spreken elkaar veelal aan als "het lid X", een vorm die afstand schept en formeel aandoet. Men kan zich afvragen of in een moderne democratie een eenvoudig "de heer" of "mevrouw" niet beter aansluit bij een volksvertegenwoordiging die midden in de samenleving staat.

Straatnamen vertellen geschiedenis
Het straatbeeld laat zien hoe verleden en heden naast elkaar bestaan. In de afgelopen decennia zijn sommige koloniale straatnamen vervangen door namen van Surinaamse staatslieden, vrijheidsstrijders en andere nationale persoonlijkheden. Dat is een begrijpelijke ontwikkeling. Een onafhankelijke republiek mag haar eigen helden zichtbaar maken in het openbare leven.

Toch zou het jammer zijn wanneer daarmee ook de historische herinnering verdwijnt. Juist daarom zou overwogen kunnen worden om de oorspronkelijke koloniale straatnaam als historische ondertitel te behouden. Zo zou, zoals in Frankrijk, onder de Henck Arronstraat bijvoorbeeld kunnen worden vermeld: voorheen Gravenstraat. Niet om het koloniale verleden te verheerlijken, maar om zichtbaar te houden hoe de geschiedenis zich heeft ontwikkeld.

Een stad is een levend geschiedenisboek. Oude straatnamen vertellen iets over het verleden; nieuwe straatnamen vertellen iets over de ontwikkeling van een onafhankelijke republiek. Door beide zichtbaar te houden ontstaat geen tegenstelling, maar juist een historisch besef waarin iedere generatie kan zien hoe Suriname zich heeft ontwikkeld. Geschiedenis hoeft niet te worden uitgewist om ruimte te maken voor nationale trots.

Eigentijdse bestuurscultuur
Juist een volwassen republiek hoeft haar geschiedenis niet uit te wissen om haar eigen identiteit te versterken. Zij durft verleden en toekomst met elkaar te verbinden. Misschien is daarom de tijd gekomen om opnieuw na te denken over de symbolen waarmee Suriname zichzelf bestuurlijk presenteert.

Headly Binderhagel