Eugène van der San
Met het Assembleelid Asis Gajadien (fractieleider V.H.P.) zijn wij het roerend eens met de aandacht die hij thans vraagt voor een eigen Wet Bestuursrecht in de Republiek Suriname.

Onze waardering daarvoor. Tegelijkertijd is het toch jammer dat hij als ervaren parlementariër de noodzaak daartoe nu pas heeft ingezien, terwijl sedert 1975 de basis is gelegd in artikel 135 lid 1 van onze Grondwet: “De wet kan de beslissing van rechtsgeschillen, niet uit burgerrechtelijke betrekkingen ontstaan, aan administratieve rechters opdragen.” De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Het verheugt mij, als voorzitter van het Administratief Beroepsinstituut (ABI) op het Kabinet van de President, te vernemen dat reeds verregaande voorbereidingen hieromtrent zijn getroffen. “Volgens de politicus is het onhoudbaar dat Suriname anno heden nog steeds geen uniforme en afdwingbare bestuursrechtelijke regels kent”, maar de touwtjes heeft hijzelf een hele tijd in handen gehad.

“Burgers worden geconfronteerd met onduidelijke procedures, gebrek aan transparantie en beperkte mogelijkheden om zich effectief te verweren tegen besluiten van de overheid. Dat ondermijnt het vertrouwen in de staat.” Dit roept ondergetekende al jaren in de Republiek Suriname; nooit eerder enige reactie daarop gezien of gehoord.

Het gevoel bekroop mij reeds bij het lezen van het artikel van het Assembleelid Gajadien dat het in politicis inderdaad te maken kon hebben met “het proces van in staat van beschuldiging stellen van de politieke ambtsdragers”, zoals hij bevestigt. Het structurele probleem in Suriname is dat politici geneigd zijn alles door middel van een politieke bril te beoordelen, ook wanneer het gaat om gewone staatsrechtelijke handelingen die een formeel karakter dragen.

Wat het Assembleelid nu roept, is precies wat hij vijf jaren terug, kort na de verkiezing, deed in het geval Hoefdraad, zonder toen in acht te hebben genomen hetgeen hij nu stelt, namelijk: “Laat één ding helder zijn: ik vel geen oordeel over individuele zaken. Maar wat deze ontwikkelingen wel duidelijk maken, is dat wij als land nog steeds geen volledig uitgewerkt juridisch kader hebben waarin procedures, waarborgen en rechtsbescherming eenduidig zijn vastgelegd”, en toch deed hij wat hij toen gedaan heeft.

Gelukkig benadrukt hij zelf dat een Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) nog lang niet toereikend is om de rechtszekerheid en willekeur binnen het administratief recht te beperken of te voorkomen.

Het is te kort door de bocht om nu deze regering verantwoordelijk te willen stellen voor het ontbreken van een Wet Bestuursrecht. Zelfs in Nederland verschenen de contouren pas echt bij de algemene beginselen, waarbij de Centrale Raad van Beroep (als ambtenarenrechter) deze in 1933 toetste aan het algemeen rechtsbeginsel. Daarna volgde de burgerlijke rechter.

Vooruitlopend op de Algemene wet bestuursrecht (AWB) waren in Nederland lang daarvoor van kracht: de Wet beroep administratieve beschikkingen (Wet BAB) en de Wet administratieve rechtspraak (Wet Arob), die van belang waren voor een verdere uitbouw en verduidelijking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb’s). Sinds 1994 is de Algemene wet bestuursrecht formeel gecodificeerd en in Nederland tot stand gekomen.

Op grond van het concordantiebeginsel hadden de politieke verantwoordelijken sedert de onafhankelijkheid in 1975 de plicht om, met inachtneming van artikel 135 van de Grondwet, zorg te dragen voor een Wet Bestuursrecht. Echter heeft de politiek, in samenspraak met de rechterlijke macht, in artikel 135 lid 2 ervoor gezorgd dat institutioneel de mogelijkheid bestaat om in administratief beroep te gaan.

Binnen het ABI is de stelling geponeerd door de voorzitter dat: “Doordat wij in Suriname geen Algemene Wet Bestuursrecht hebben, rijst de vraag of wij de beginselen van behoorlijk bestuur onder alle omstandigheden kunnen toepassen, dus zowel formeel als materieel bij de beoordeling van een zaak, zoals bij de niet-formele administratieve rechter bij ons.”

Het komt mij voor dat bij administratief beroep, zowel in strijd met de wet als in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, slechts beperkt kan worden getoetst. Alles zal afhangen van de redactie in de relevante bijzondere wet.

Om verder uit de middelmatigheid te geraken, ben ik het eens met Gajadien als fractieleider in De Nationale Assemblee om een wetsvoorstel omtrent de Wet Bestuursrecht zo snel mogelijk in De Nationale Assemblee te doen behandelen, ten faveure van de bescherming van de burgers in hun rechten.

De voorzitter ABI
Eugène van der San