De cijfers in het blauw kunnen variëren.
Bestuurskundige Eugène van der San stelt dat de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht heeft geleid tot een aanzienlijke en structurele verhoging van inkomsten binnen de rechterlijke macht, met grote gevolgen voor de financiële draagkracht van de Staat. In een interview bij Lim FM heeft hij zijn eerdere kritiek onderbouwd met berekeningen op basis van de wetstekst. Uit de berekening blijkt dat de procureur-generaal het hoogste inkomen, en wel ruim SRD 1 miljoen netto per maand zou ontvangen. Deze kwestie moet door president Jennifer Simons worden rechtgezet, zegt Van der San in gesprek met Starnieuws. 

Volgens Van der San was het oorspronkelijke doel van de wet het regelen van de financiële rechtspositie van de rechterlijke macht, zoals voorgeschreven in de Grondwet sinds 1975. In de praktijk is echter gekozen voor een constructie waarbij niet alleen de zittende magistratuur, maar ook de staande magistratuur onder één regime is gebracht. Daarbij zijn inkomenspercentages vastgelegd die volgens hem ver boven redelijke proporties liggen.

Van der San legt uit dat in eerdere staatsbesluiten de bezoldiging van leden van de rechterlijke macht waren gekoppeld aan percentages van het salaris van de president, doorgaans rond 70 tot 80 procent. In de nieuwe wet is die verhouding losgelaten en vervangen door een systeem waarbij inkomens kunnen oplopen tot 95 procent van de presidentiële bezoldiging, exclusief toelagen.

Cruciaal in zijn analyse is het toelageregime dat met de wet is ingevoerd. Volgens Van der San kunnen toelagen oplopen tot meer dan 150 procent van het basissalaris, in sommige gevallen zelfs richting 170 procent. Daarbij komt dat deze toelagen op grond van de wet onbelast zijn. Dit betekent dat het netto-inkomen van betrokken functionarissen aanzienlijk hoger uitvalt dan het bruto salaris suggereert.

“Hierdoor ontstaat een situatie waarin toelagen hoger zijn dan het reguliere salaris, terwijl dat salaris wel belast is en de toelage niet,” aldus Van der San. “Dat is uitzonderlijk en druist in tegen elementaire beginselen van behoorlijk bestuur.”

Van der San benadrukt dat deze financiële regeling niet alleen gevolgen heeft voor individuele inkomens, maar ook voor de structurele uitgaven van de staat. Omdat de wet automatisch doorwerkt voor zowel zittende als staande magistratuur, inclusief officieren van justitie en de procureur-generaal, ontstaat volgens hem een langdurige budgettaire verplichting zonder dat de economische draagkracht van het land daarbij leidend is geweest.

Van der San stelt dat de wet bovendien pas na de verkiezingen in werking is getreden, waardoor de financiële impact niet direct zichtbaar was tijdens de besluitvorming. Volgens hem is dat een bewuste keuze geweest, met verstrekkende consequenties voor de overheidsfinanciën en de geloofwaardigheid van het bestuur.

Hij pleit ervoor de wet in te trekken en de financiële rechtspositie opnieuw en gescheiden te regelen: één wettelijke regeling voor de zittende magistratuur, zoals grondwettelijk vereist, en een afzonderlijke, sobere regeling voor de staande magistratuur. “Zonder correctie blijft dit een financiële tijdbom onder de staatsbegroting,” benadrukt Van der San.