De vier besten ter wereld – met acht wereldtitels tussen hen – staan op het punt te strijden voor een plek in de grandioze finale op 19 juli in New York. Maar laten we eerlijk zijn: slechts één team lijkt écht klaar voor de hoofdprijs. Dit is de staat van de halvefinalisten.



4. Argentinië: De worstelende kampioen

De nummer 1 van de wereld bereikt de halve finale via wat je gerust het meest vriendelijke schema van het toernooi mag noemen. Maar overtuigend? Nee. Kaapverdië, Egypte en Zwitserland lieten allemaal zien hoe kwetsbaar La Albiceleste is. Tegen Zwitserland wachtten ze bijna 90 minuten op een schot op doel na de vroege openingstreffer.


Messi redde het nipt tegen Egypte, maar zijn emotionele uitbarsting na die wedstrijd zei meer over opluchting dan over dominantie. Tegen een fysiek sterke en jachtige Engelse ploeg komen ze simpelweg tekort. Hun leeftijd en gebrek aan tempo zullen hen opbreken. Zelfs als ze voorbij Engeland komen – wat onwaarschijnlijk is – wacht tegen Frankrijk of Spanje een nog grotere muur.

3. Engeland: Hart, maar geen topniveau

Voor het eerst in 60 jaar ruiken de Engelsen weer eens goud, maar de weg ernaartoe is allerminst koninklijk. Tuchel geeft toe dat ze geluk hebben gehad, vooral dankzij de schouders van Jude Bellingham – die met zes goals jacht maakt op de Gouden Schoen.


Wat Engeland wél heeft, is veerkracht. Ze overleefden Mexico in een hels Azteca-stadion en knokten zich langs Noorwegen. Maar dominantie? Die ontbreekt. De terugkeer naar het luchtgekoelde Atlanta is een meevaller, en de snelheid van Saka, Gordon en Rashford kan het trage Argentijnse blok pijn doen.

Maar laten we eerlijk zijn: een finale halen zou al een bonus zijn voor de nummer 4 van de wereld. Zelfs dan is Spanje of (vooral) Frankrijk een brug te ver.

2. Spanje: De rots in de branding

La Roja bereikt de halve finale met een defensief record dat in de boeken gaat: 649 minuten zonder tegendoelpunt, een WK-record. En dat terwijl ze pas in de kwartfinale voor het eerst werden gepasseerd.


In de aanval zorgt een carrousel van sluwe spelers als Lamine Yamal (die weer opbloeit) en invaller Mikel Merino (twee keer de late redder) voor gevaar. Toch is er een zorg: topscorer Mikel Oyarzabal is afgekoeld en het jonge Pau Cubarsi moet zich gaan bewijzen tegen een Franse aanvalslinie die hij nog nooit heeft meegemaakt.

Spanje is de geduchte tegenstander die iedereen vreest, maar ze missen nog net dat beetje extra dynamiek om de absolute top te verslaan. In twee eerdere confrontaties wonnen ze van Frankrijk, maar de derde keer – met deze Franse vierkoppige aanval – wordt de echte vuurproef.

1. Frankrijk: De klasse apart
Voorafgaand aan de kwartfinale tegen Marokko noemden we ze al de beste ploeg van het veld. Na die 2-0 overwinning – waarin Marokko geen enkele echte kans kreeg – is dat alleen maar bevestigd.

Mbappé jaagt op de Gouden Schoen en het eeuwige WK-record, maar hij is niet de enige. Olise, Dembélé, Doué en Barcola creëren overal gevaar. Hun aanval is simpelweg te dynamisch en te diep voor welke verdediging dan ook. De Franse defensie is dan misschien nog niet getest, maar met een middenveld dat de bal zo snel verovert en omzet, maakt dat weinig uit.


Tegen Spanje krijgen ze pas echt weerwerk, maar de extra motivatie is niet te onderschatten: ze verloren de laatste twee halve finales van La Roja (EK 2024 en Nations League). Dat gaan ze niet nog een keer laten gebeuren.

De slotsom:
Engeland kan stunten, Spanje kan stunten, en Argentinië kan Messi-golven creëren. Maar als we naar de vorm, de diepgang en de mentale veerkracht kijken, is er maar één ploeg die écht de wereldbeker in handen mag verwachten. Frankrijk is de enige halvefinalist die op elk niveau – van snelheid tot ervaring – de rest overklast. Wie hen verslaat, wint de beker. Maar de kans dat iemand hen verslaat, is klein.

Winnaar: Frankrijk.