Een vrouw glimlacht terwijl ze een boeket bloemen vasthoudt buiten de Tajrish Bazaar in het centrum van Teheran, terwijl mensen zich voorbereiden op Nowruz, het Perzische Nieuwjaar, dat dit jaar samenvalt met de islamitische heilige maand Ramadan. (Foto: AFP)
Voor Mahdi in Afghanistan:

Ze maken hun huizen schoon voor Nowruz, terwijl buiten het puin nog niet is geruimd. Ze planten bloemen in potten, terwijl de aarde om hen heen dorstig is naar bloed. Ze bereiden voedsel voor gasten, terwijl zoveel tafels leeg zijn gebleven.

En nu, terwijl de eerste lentebloemen voorzichtig hun hoofden boven de grond steken, is het ook Ramadan. De maand van vasten, van bezinning, van het reinigen van de ziel. De maand waarin moslims over de hele wereld zich onthouden van eten en drinken van zonsopgang tot zonsondergang, om dichter bij God te komen, om zich te zuiveren van binnenuit.

De ironie is zo wrang dat hij bijna niet te bevatten is.

Want terwijl miljoenen gelovigen hun zielen reinigen met gebed en vasten, worden in Gaza, in Iran, in Afghanistan, in delen van Syrië en Jemen, in Sudan, lichamen gebalsemd met niets dan stilte. Worden kinderen uit het puin gehaald in plaats van dat ze na zonsondergang vrolijk met dadels het vasten verbreken. Worden moeders begraven door dochters die eigenlijk nieuwe jurken zouden passen voor het Suikerfeest.

Reiniging van de ziel. Wat een concept. Wat een contradictie in een wereld die zo bezoedeld is door geweld.

En toch.

Toch zie ik jou, mijn vriend, je huis vegen. Een nieuw kleed uitspreiden. Een bloem water geven. Alsof je tegen de wereld zegt: ik ben hier nog. Alsof je tegen de geschiedenis fluistert: jij krijgt mij niet klein.

Dat is de Mahdi-gedachte die door de tijd waart, door de straten van Kabul, door de steegjes van Gaza, door de hoop van hen die weigeren te buigen. Niet als een messias die plotseling uit de hemel komt vallen, maar als een collectieve geesteskracht die zegt: wij leggen ons niet neer bij wat ons wordt opgelegd. Wij blijven rechtop, ook al worden we gedwongen te knielen.

Er is een diepe wijsheid in deze hardnekkigheid. Een wijsheid die zegt: zolang wij ons huis schoonmaken, zolang wij bloemen planten, zolang wij elkaar uitnodigen aan tafel, zolang wij vasten en bidden en hopen - zolang is de overwinning niet aan hen die denken dat geweld het laatste woord heeft.

De profeet Mohammed - vrede zij met Hem - zei ooit: "Als de Dag des Oordeels aanbreekt en een van jullie heeft een zaailing in zijn hand, laat hem die dan planten."

Planten, zelfs als het einde nabij lijkt. Leven vieren, zelfs in de schaduw van de dood. Dat is de onverwoestbare kern van de menselijke geest.

Jullie Nowruz-viering, jullie Ramadan-bezinning - het is niet naïef. Het is niet wereldvreemd. Het is het meest subversieve verzet dat er bestaat: weigeren te stoppen met leven.

Dus ja, de ironie is groot. De tegenstelling tussen wat deze dagen zouden moeten zijn en wat ze zijn, is bijna ondraaglijk. Maar juist in die ondraaglijke spanning zit de kiem van wat niet kapot te krijgen is.

Reinig je huis. Plant je bloemen. Nodig je gasten uit. Vast als je kunt, bid als je moet huilen.

Want de lente - echte lente - is geen seizoen. Het is een beslissing.

En jullie hebben beslist: jullie wachten niet op de lente. Jullie zijn haar.

Indra Toelsie